Aanhangen is geen gevoel:
hoe je dicht bij God komt

Er staat in Deuteronomium 4 een woord dat de hele relatie tussen mens en de Eeuwige in één beeld samenvat. Het is geen abstract begrip en geen theologische term. Het is een woord uit het dagelijks leven, en de Statenvertaling beschrijft dit met het woord aanhangen.  

Moshe (Mozes) heeft dan zojuist gesproken over wat er gebeurde bij Baäl-Peor, waar een deel van het volk zich aan een afgod verbond en omkwam. Tegenover die groep zet hij de anderen en het woord dat hij voor hen kiest is precies het tegenovergestelde van wat de eersten deden. 

Deuteronomium 4:3-5 

3 Uw ogen hebben gezien, wat de Eeuwige om Baäl-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-Peor navolgde, dien heeft de Eeuwige, uw God, uit het midden van u verdaan. 4 Gij daarentegen, die den Eeuwige, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende. 5 Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de Eeuwige, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven. 

Wie die drie verzen achter elkaar leest, ziet de vraag vanzelf opkomen. 

Aanhangen klinkt prachtig, maar hoe doet men dat? 

Waar begint zoiets? 

Moshe laat die vraag niet in de lucht hangen, want in het vers direct erna geeft hij het antwoord en hij geeft het in de vorm van een opdracht met een uitwerking. 

Deuteronomium 4:5-6 

5 Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de Eeuwige, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven. 6 Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! 

Datzelfde woord voor aanhangen keert verderop in Deuteronomium terug, nu naast liefhebben en dienen. Daarmee laat Moshe zien dat het geen losse gevoelstoestand is maar iets wat samen met andere werkwoorden optreedt. 

Deuteronomium 11:22-23 

22 Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, de Eeuwige, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende; 23 Zo zal de Eeuwige al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten grotere en machtigere volken, dan gij zijt. 

De oorsprong van dat woord ligt nog verder terug, namelijk in het eerste gedeelte van de Schrift dat over de verhouding tussen twee mensen gaat. Daar wordt hetzelfde werkwoord gebruikt voor de band tussen man en vrouw, en dat verklaart waarom het zo'n hechte lading draagt. 

Genesis 2:24 

Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn. 

Verantwoording van de grondtekstmethode 

Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon, getal en functie. Een woord zoals het in het vers staat ziet er daardoor anders uit dan hetzelfde woord in het woordenboek. Hieronder wordt daarom eerst de vorm genoemd zoals de tekst haar draagt en daarna de wortel waaruit die vorm is opgebouwd. 

De Hebreeuwse grondtekst 

Deuteronomium 4:4 

Gij daarentegen, die den Eeuwige, uw God, aanhingt (הַדְּבֵקִים‎, haddeveqim), gij zijt heden (הַיּוֹם‎, hayyom) allen levende (חַיִּים‎, chayyim). 

Het woord aanhingt is vertaald vanuit de vorm הַדְּבֵקִים‎ (haddeveqim), uit de wortel דָּבַק‎ (davaq), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: kleven, plakken, zich vasthechten, achtervolgen tot men iemand inhaalt, niet loslaten. Het gaat om een aanhoudende toestand en niet om een eenmalige daad, want de vorm die hier staat beschrijft wie zij zijn en niet wat zij ooit deden. 

Datzelfde woord staat op twee andere plaatsen waar de gehechtheid tussen mensen wordt beschreven, en beide plaatsen verhelderen wat Moshe hier bedoelt. De eerste staat in het scheppingsverhaal, waar de band tussen man en vrouw wordt vastgelegd en de Statenvertaling het woord met aankleven weergeeft. 

Genesis 2:23-24 

23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is. 24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten (יַעֲזָב‎, ya'azov), en zijn vrouw aankleven (וְדָבַק‎, vedavaq); en zij zullen tot een vlees (בָּשָׂר אֶחָד‎, basar echad) zijn. 

De tweede staat in het boek Ruth, op de weg terug uit Moab. Naomi heeft haar beide schoondochters weggestuurd en Orpa gaat, maar Ruth doet iets anders. Het werkwoord dat daar over haar wordt gebruikt is precies hetzelfde. 

Ruth 1:14-16 

14 Toen hieven zij haar stem op, en weenden wederom; en Orpa kuste (וַתִּשַּׁק‎, vattishaq) haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan (דָּבְקָה‎, daveqah). 15 Daarom zeide zij: Zie, uw zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer gij ook weder, uw zwagerin na. 16 Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. 

De vormen וְדָבַק‎ (vedavaq) in Genesis en דָּבְקָה‎ (daveqah) in Ruth komen beide uit de wortel דָּבַק‎ (davaq), dezelfde wortel als הַדְּבֵקִים‎ (haddeveqim) in Deuteronomium 4:4. In Ruth 1:14 staat de tegenstelling bovendien binnen één vers, want Orpa doet וַתִּשַּׁק‎ (vattishaq), zij kuste, en dat is een afscheid. Ruth doet דָּבְקָה‎ (daveqah), zij klampte zich vast, en dat is het tegendeel. 

In beide gevallen gaat het om iemand die blijft terwijl vertrekken de gemakkelijkere weg zou zijn. Bij Genesis wordt daarvoor het ouderlijk huis verlaten, bij Ruth het eigen volk en het eigen land. En bij Deuteronomium 4:4 staat een groep mensen die bleef toen anderen zich aan Baäl-Peor hechtten. Aanhangen kost dus altijd iets, en juist dat maakt het aantoonbaar. 

Deuteronomium 4:4 

Gij daarentegen, die den Eeuwige, uw God, aanhingt (הַדְּבֵקִים‎, haddeveqim), gij zijt heden (הַיּוֹם‎, hayyom) allen levende (חַיִּים‎, chayyim). 

Het woord levende is vertaald vanuit חַיִּים‎ (chayyim), uit de wortel חיה‎ (chayah), en kan ook wel vertaald worden als leven, in leven blijven, levend gemaakt worden. De tegenstelling met het voorafgaande vers is daarmee volledig. Wie zich aan Baäl-Peor hechtte, werd weggedaan. Wie zich aan de Eeuwige hechtte, staat eer nog. 

Deuteronomium 4:5-6 

5 Ziet, ik heb u geleerd (לִמַּדְתִּי‎, limmadti) de inzettingen (חֻקִּים‎, chuqqim) en rechten (מִשְׁפָּטִים‎, mishpatim). 6 Behoudt ze dan (וּשְׁמַרְתֶּם‎, ushmartem), en doet ze (וַעֲשִׂיתֶם‎, va'asitem); want dat zal uw wijsheid (חָכְמַתְכֶם‎, chokhmatkhem) en uw verstand (בִינַתְכֶם‎, binatkhem) zijn voor de ogen der volken. 

Het woord geleerd is vertaald vanuit de vorm לִמַּדְתִּי‎ (limmadti), uit de wortel לָמַד‎ (lamad), en laat zich ook graag vertalen als leren, onderwijzen, africhten, inoefenen. Uit diezelfde wortel komt תַּלְמִיד‎ (talmid), de leerling. Onderwijs is in het Hebreeuws dus geen overdracht van gegevens maar het inoefenen van een handeling. 

Het woord behoudt is vertaald vanuit de vorm וּשְׁמַרְתֶּם‎ (ushmartem), uit de wortel שָׁמַר‎ (shamar), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: bewaken, behoeden, hoeden, in acht nemen. Het woord doet is vertaald vanuit de vorm וַעֲשִׂיתֶם‎ (va'asitem), uit de wortel עָשָׂה‎ (asah), en kan ook wel vertaald worden als maken, doen, verrichten, tot stand brengen. De twee staan naast elkaar en zij vullen elkaar aan, want bewaken zonder doen is een schat in een kluis en doen zonder bewaken is een handeling zonder wortel. 

Daarmee ligt het antwoord op de vraag waarmee deze studie begon in de tekst zelf. Vers 4 zegt dat zij zich vastklemden. Vers 5 en 6 zeggen hoe dat eruitziet. Er staat geen gevoel tussen die twee verzen maar onderwijs en dat onderwijs wordt bewaakt en gedaan. 

De Griekse grondtekst 

Hetzelfde beeld keert in het Nieuwe Testament terug, en het draagt daar dezelfde lading. Sha'ul (Paulus) gebruikt het werkwoord voor het aanhangen van het goede, en hij plaatst het in dezelfde zin als de oprechte liefde. 

Romeinen 12:9 

De liefde (ἀγάπη‎, agapē) zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan (κολλώμενοι‎, kollōmenoi). 

Het woord hangt aan is vertaald vanuit de vorm κολλώμενοι‎ (kollōmenoi), uit κολλάω‎ (kollaō), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: lijmen, aan elkaar hechten, zich vastplakken, zich aansluiten bij. Uit dat woord komt ook de aanduiding voor lijm. Het beeld is dus niet dat van iemand die ergens bij hoort, maar van iemand die er niet meer los van te krijgen is. 

Opmerkelijk is de volgorde in dat vers. Eerst de liefde die niet geveinsd is, dan de afkeer van het boze, dan het aanhangen van het goede. Precies zoals in Deuteronomium 4 staat ook hier de gehechtheid niet los, maar tegenover iets waar men zich juist van losmaakt. 

De Septuaginta 

Het Hebreeuws gebruikt op alle behandelde plaatsen dezelfde wortel, maar de Septuaginta geeft die op drie verschillende manieren weer. Dat verschil wordt hier uitdrukkelijk benoemd, want juist daarin wordt zichtbaar wat het Hebreeuwse woord allemaal draagt. 

Genesis 2:24 

Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven (προσκολληθήσεται‎, proskollēthēsetai); en zij zullen tot een vlees zijn. 

Deuteronomium 4:4 

Gij daarentegen, die den Eeuwige, uw God, aanhingt (προσκείμενοι‎, proskeimenoi), gij zijt heden (σήμερον‎, sēmeron) allen levende. 

Ruth 1:14 

En Orpa kuste (κατεφίλησεν‎, katephilēsen) haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan (ἠκολούθησεν‎, ēkolouthēsen). 

Drie plaatsen, drie Griekse werkwoorden, en in het Hebreeuws staat er telkens דָּבַק‎ (davaq). 

Het woord in Genesis is προσκολληθήσεται‎ (proskollēthēsetai), uit προσκολλάω‎ (proskollaō), en dat kan ook wel vertaald worden als aanlijmen, aan elkaar hechten, vastplakken. Het woord in Deuteronomium is προσκείμενοι‎ (proskeimenoi), uit πρόσκειμαι‎ (proskeimai), en laat zich ook graag vertalen als ergens tegenaan liggen, aanliggen, zich toewijden aan. Het woord in Ruth is ἠκολούθησεν‎ (ēkolouthēsen), uit ἀκολουθέω‎ (akoloutheō), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: volgen, achternagaan, meegaan met, zich aansluiten bij. 

Waarom drie woorden waar het Hebreeuws er één heeft? Omdat דָּבַק‎ (davaq) een breed werkwoord is dat het hele bereik van hechten dekt, van het samenvoegen van twee stukken hout tot de band tussen twee mensen en de toewijding aan de Eeuwige. Het Grieks kent die breedte niet in één woord, dus moesten de vertalers per plaats kiezen welk deel van de betekenis zij lieten staan. 

Precies daar zit de winst van de grondtekst. Wie enkel de Griekse of de Nederlandse tekst leest, ziet drie verschillende woorden en drie losse geschiedenissen. Wie het Hebreeuws erbij neemt, ziet één woord en daarmee één beweging. 

En juist het derde werkwoord verdient aandacht, want ἀκολουθέω‎ (akoloutheō) is het woord waarmee de evangeliën beschrijven dat mensen achter Yeshua (Jezus) aan gaan. 

Ruth 1:14 

Maar Ruth kleefde haar aan (ἠκολούθησεν‎, ēkolouthēsen). 

Mattheüs 4:19-20 

19 En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken. 20 Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd (ἠκολούθησαν‎, ēkolouthēsan). 

Dit is een gedeelde wortel en geen citaat, want Mattheüs haalt Ruth niet aan en de bewoording eromheen loopt niet gelijk. Wat er wél ligt, is dat het Griekse woord voor het navolgen van Yeshua hetzelfde grondwoord is als dat waarmee de Septuaginta het Hebreeuwse vastklampen van Ruth weergeeft. Er zit bovendien een opvallende overeenkomst in wat eraan voorafgaat. Ruth laat haar volk en haar land achter. De vissers laten hun netten liggen. In beide gevallen wordt eerst iets losgelaten en daarna wordt iemand nagevolgd. 

Deuteronomium 11:22 

Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, de Eeuwige, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende (προσκολλᾶσθαι‎, proskollasthai); 

Romeinen 12:9 

De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan (κολλώμενοι‎, kollōmenoi). 

De Septuaginta heeft in Deuteronomium 11:22 προσκολλᾶσθαι‎ (proskollasthai), uit hetzelfde προσκολλάω‎ (proskollaō) als Genesis 2:24. Sha'ul gebruikt in Romeinen 12:9 κολλώμενοι‎ (kollōmenoi), uit κολλάω‎ (kollaō). Dat is een gedeelde wortel en geen citaat, want de bewoording eromheen loopt niet gelijk en Sha'ul haalt de passage niet aan. Wie zich aan het goede vastlijmt, doet in het Grieks precies wat Deuteronomium 11 van het volk vroeg. 

Tot slot 

De vraag is dus nooit geweest of men zich aan de Eeuwige moet vastklemmen. Die vraag beantwoordt Deuteronomium 4:4 al voordat zij gesteld is, want daar staan de overlevenden en zij staan er omdat zij zich vasthielden. 

Is aanhankelijkheid dan een gevoel dat men moet opwekken? 

Nee. 

Zij is een greep die men niet loslaat. En Moshe zegt er onmiddellijk bij waar die greep zich aan vasthoudt, want in het volgende vers wijst hij op de inzettingen en de rechten die hij heeft onderwezen. Wie zich afvraagt hoe hij dichter bij de Allerhoogste komt, krijgt in de Thora geen gevoel aangereikt maar een handeling. 

Er zit bovendien een belofte aan vast die men gemakkelijk overslaat. Er staat niet dat het bewaken en doen van de inzettingen zwaar zal blijken. Er staat dat het de wijsheid en het verstand van dat volk zal zijn, zichtbaar voor de ogen van de volken. Wat men van binnen vasthoudt, wordt van buiten opgemerkt. 

Bij Baäl-Peor lieten mensen los wat hen droeg en zij bleven niet staan. In de vlakte van Moab stonden de anderen nog, zonder bezit maar met een vaste greep. Het onderwijs dat Moshe hun naliet is dezelfde greep, uitgeschreven in woorden die men bewaken kan. 

Klem u vast aan wat vasthoudt, en gij zult heden allen levende zijn.