De essentie van de naastenliefde
Waar dit gebod vandaan komt
Er is één zin in de Schrift die door bijna iedereen wordt geciteerd en door bijna niemand wordt getoetst aan de Thora. Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Die zin staat op kansels, op posters, in preken en in politieke toespraken. Zelden staat erbij waar hij vandaan komt. Nog zeldzamer staat erbij wat er direct vóór staat, want daar begint het ongemak. Het gebod van de naastenliefde is geen losse gedachte en geen vriendelijke levenswijsheid. Het is het slotwoord van een reeks geboden die eerst de tong aanpakt, dan het hart, dan de mond en pas daarna over liefde spreekt.
In deze studie volgen wij zoals gewoonlijk de smalle weg die ons leidt naar de Thora, Gods volmaakte instructies en onderwijzingen. Wie deze weg meeloopt zal merken dat de naastenliefde veel praktischer is dan zij klinkt, veel scherper dan zij oogt en veel dichter bij de Thora staat dan men u heeft verteld.
Wij beginnen waar het gebod zelf begint. In het midden van Leviticus staat een hoofdstuk dat de Eeuwige uitspreekt tot de gehele vergadering van Israël. Het gaat over gewichten en maten, over de oogst, over de dove en de blinde en over de rechtspraak. En midden daarin, tussen zeer concrete leefregels, staan drie verzen die samen één gedachte vormen. Zij beschrijven wat een mens doet met de woorden die hij over een ander spreekt, met het gevoel dat hij over een ander koestert en met het onrecht dat hij bij een ander waarneemt. Het beroemde slot van vers achttien is niet los verkrijgbaar. Het hoort bij de twee verzen die eraan voorafgaan.
Leviticus 19:16-18
16 Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben de Eeuwige! 17 Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen. 18 Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de Eeuwige!
Eeuwen later neemt Shlomo (Salomo) precies dit thema op. Hij schrijft geen wetgeving maar levenswijsheid en hij vraagt zich af wat er gebeurt wanneer men de opdracht van Leviticus 19:17 werkelijk uitvoert. Wie berispt, krijgt antwoord. En dat antwoord verschilt volkomen, afhankelijk van wie er tegenover hem staat. Spreuken 9 zet die twee reacties naast elkaar in één adem. Het is geen verbod op berisping. Het is een waarschuwing dat de uitkomst afhangt van het hart van degene die het aanhoort.
Spreuken 9:7-9
7 Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek. 8 Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben. 9 Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
Hetzelfde boek komt er nog eenmaal op terug, nu in één enkele spreuk die op zichzelf staat en die als sluitsteen functioneert. Zij beschrijft niet de berisper maar de bespotter. Zij vertelt wat hij niet liefheeft en waar hij niet heen gaat. In beide helften van de zin staat een ontkenning en beide ontkenningen wijzen dezelfde kant op.
Spreuken 15:12
De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.
Wij verplaatsen ons naar de tempel in Jeruzalem, in de laatste week vóór het Pesach waarop Yeshua zou lijden. Er komt een reeks vragenstellers op Hem af, de een na de ander, elk met een strikvraag. Een wetgeleerde stelt de vraag die in die dagen werkelijk onder de leraren leefde, namelijk welk gebod het zwaarste weegt. Yeshua antwoordt niet met een nieuw gebod. Hij antwoordt met twee citaten uit de boeken van Moshe en Hij voegt er een slotzin aan toe die men zelden meeleest.
Mattheüs 22:35-40
35 En een uit hen, zijnde een Wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende: 36 Meester! welk is het grote gebod in de wet? 37 En Yeshua zeide tot hem: Gij zult liefhebben de Eeuwige, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het grote gebod. 39 En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. 40 Aan deze twee geboden hangt de ganse Thora en de Profeten.
Markus beschrijft hetzelfde gesprek, maar hij bewaart iets wat Mattheüs weglaat. Bij hem antwoordt de schriftgeleerde terug. Er ontstaat een instemming tussen de vragensteller en Yeshua en die schriftgeleerde trekt vervolgens zelf een conclusie die rechtstreeks uit de profeten komt. Hij plaatst de liefde tot de naaste boven het offerwezen en Yeshua spreekt hem niet tegen.
Markus 12:29-33
29 En Yeshua antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, is de enige Eeuwige. 30 En gij zult de Eeuwige, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. 31 En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. 32 En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; 33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.
Wij begeven ons naar het verhaal van de barmhartige Samaritaan in Lukas 10. Yeshua heeft kort daarvoor de zeventig uitgezonden en hen bij hun terugkeer ontvangen. Dan staat er een wetgeleerde op. Hij is geen buitenstaander en geen onwetende. Hij is een man wiens vak het is de Thora te kennen en uit te leggen en hij begint met de vraag die in zijn kringen het zwaarst woog, namelijk hoe men het eeuwige leven beërft.
Yeshua geeft geen antwoord. Hij stelt een tegenvraag en die tegenvraag is beslissend voor alles wat daarna komt. Wat is in de Thora geschreven? Hoe leest gij? Hij verwijst de man dus niet naar Zichzelf, niet naar een nieuwe openbaring en niet naar een leerstelling die nog moest worden gebracht. Hij verwijst hem naar de rol die de man al in handen had. En de wetgeleerde antwoordt correct. Hij haalt Deuteronomium 6:5 aan en hij haalt Leviticus 19:18 aan, uit zichzelf, zonder hulp. Het antwoord op de vraag naar het eeuwige leven lag dus binnen bereik van iedere man die de Thora las. Yeshua bevestigt dat met drie woorden. Doe dat, en gij zult leven.
Daar had het gesprek kunnen eindigen. Het eindigt daar niet, want er staat één zin tussen die alles verraadt. Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen. De tweede vraag komt niet voort uit onwetendheid maar uit de behoefte om ergens een grens te trekken. Wie vraagt wie zijn naaste is, vraagt in werkelijkheid wie zijn naaste niet is. Hij zoekt geen kennis. Hij zoekt een lijst waarbuiten hij vrijuit gaat.
Op die vraag antwoordt Yeshua met een gelijkenis en Hij kiest de omstandigheden met zorg. De weg van Jeruzalem naar Jericho daalt af van de hoogte van de stad naar het diepe Jordaandal, door onherbergzaam en rotsig gebied waarin een overvallen mens buiten ieders gezichtsveld ligt. Er komen drie voorbijgangers langs. De eerste is een priester en hij gaat dezelfde weg af, dus van Jeruzalem vandaan en niet ernaartoe. De tweede is een Leviet. Beiden zijn beroepsmatig verbonden aan de dienst en beiden weten precies wat er in Leviticus 19 geschreven staat. Beiden zien de man liggen. Beiden lopen aan de overzijde langs.
De derde is een Samaritaan. De verhouding tussen Judeeërs en Samaritanen was in die dagen vijandig en de Samaritanen erkenden uitsluitend de vijf boeken van Moshe als Schrift, zonder de profeten en de overige geschriften. Uitgerekend de man die alleen de Thora bezat, doet wat de Thora gebiedt. En wanneer Yeshua Zijn slotvraag stelt, blijkt Hij de vraag van de wetgeleerde te hebben omgedraaid. Er wordt niet gevraagd wie de naaste van de gewonde man was. Er wordt gevraagd wie een naaste is gewórden. Daarmee verschuift de naaste van een categorie die men vaststelt naar een handeling die men verricht.
Lukas 10:25-37
25 En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? 26 En Hij zeide tot hem: Wat is in de Thora geschreven? Hoe leest gij? 27 En hij, antwoordende, zeide: Gij zult de Eeuwige, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven. 28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven. 29 Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Yeshua: En wie is mijn naaste? 30 En Yeshua, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen. 31 En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij. 32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. 33 Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. 34 En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem. 35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom. 36 Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was? 37 En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Yeshua tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.
Sha'ul (Paulus) schrijft aan gemeenten in Galatië waar een felle strijd woedt over de vraag hoe niet-Joodse gelovigen zich verhouden tot de geboden. Midden in dat betoog, op het punt waar hij over vrijheid spreekt, doet hij iets opvallends. Hij grijpt terug op exact dezelfde zin uit Leviticus 19:18 en hij zegt daarbij iets over de Thora dat men vrijwel altijd verkeerd om leest.
Galaten 5:13-15
13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde. 14 Want de gehele Thora wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. 15 Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt.
Yochanan (Johannes) schrijft aan het einde van zijn leven, wanneer er al leraren rondgaan die beweren God te kennen zonder Zijn geboden te bewaren. Hij weigert die scheiding. Hij voorziet de ellende die zij zullen aanrichten, wat vandaag de dag tot een ongekend niveau van wetteloosheid heeft geleid. In vier korte gedeelten legt hij de liefde tot de broeder, het licht, het bezit, de leugen en het bewaren van de geboden op één stapel. Er is geen enkele plaats waar hij liefde en gebod van elkaar losmaakt. Dit zijn de kernstukken die de levensstijl van de Thora en de naastenliefde tot één zaak maken.
1 Johannes 2:9-11
9 Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe. 10 Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en geen ergernis is in hem. 11 Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind.
Het tweede gedeelte begint bij het uiterste en eindigt bij het alledaagse. Eerst staat er wat liefde in haar hoogste vorm is, namelijk het leven inzetten voor de ander. Onmiddellijk daarna valt de maat terug naar de portemonnee, naar iemand die goederen bezit en een broeder ziet die tekortkomt. Tussen die twee uitersten laat Yochanan geen tussenruimte open waarin een mens zich kan verschuilen. Wie het grootste zegt te willen, wordt afgerekend op het kleinste. De slotzin zet het spreken en de tong tegenover de daad en de waarheid, en daarmee wordt liefde iets wat gemeten kan worden aan wat er feitelijk gebeurde.
1 Johannes 3:16-18
16 Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. 17 Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? 18 Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.
Het derde gedeelte voert een sluitende redenering. Er is een liefde die op het onzichtbare gericht is en er is een liefde die op het zichtbare is afgestemd, en Yochanan stelt vast dat de eerste ongeloofwaardig wordt zodra de tweede ontbreekt. Wie het kleinere niet opbrengt bij iemand die voor hem staat, kan het grotere niet opbrengen bij Hem die hij nooit heeft aanschouwd. Het woord dat hier valt voor zo'n iemand is leugenaar, en dat is geen scheldwoord maar een vaststelling over de waarde van zijn bewering. Het gedeelte sluit niet af met een aanbeveling maar met een gebod, want vers eenentwintig noemt het uitdrukkelijk zo.
1 Johannes 4:20-21
20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft? 21 En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.
Het vierde gedeelte draait de gebruikelijke bewijsvoering om. Men verwacht dat wie liefheeft daardoor vanzelf zal gehoorzamen, en Yochanan schrijft het andersom. Aan het bewaren van de geboden wordt herkend dat er werkelijk liefde is, en die liefde tot de Allerhoogste wordt vervolgens niet omschreven als gevoel of ervaring maar als het bewaren van wat Hij geboden heeft. Daarmee is elke poging om liefde en gebod uit elkaar te trekken bij voorbaat afgesneden. Het slot voegt daaraan toe dat die geboden niet zwaar zijn, wat ieder betoog ontkracht dat de Thora als een ondraaglijk juk voorstelt.
1 Johannes 5:2-3
2 Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. 3 Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.
De tweede brief is nauwelijks een bladzijde lang en toch staat daar de definitie die alle onduidelijkheid wegneemt. Yochanan schrijft aan een gemeente en hij benadrukt dat hij niets nieuws brengt. Hij zegt in twee verzen wat liefde is en hij zegt het in de vorm van een omschrijving die geen ruimte laat.
Het laatste gedeelte sluit de kring. Yochanan benadrukt eerst uitdrukkelijk dat hij niets nieuws schrijft en dat wat hij vraagt er vanaf het begin al was, waarmee hij de gedachte uitsluit dat er ergens onderweg een ander gebod voor het oude in de plaats zou zijn gekomen. Daarna geeft hij in één zin de omschrijving waar de gehele brief om draait, en die omschrijving bestaat niet uit een gevoel maar uit een gerichte levenswandel. Liefde is wandelen naar Zijn geboden. Wie dat wandelen wegneemt, houdt van deze zin een leeg woord over.
2 Johannes 1:5-6
5 En nu bid ik u, uitverkorene vrouwe, niet als u een nieuw gebod schrijvende, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben. 6 En dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijn geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen.
Over de grondtekst
Voordat de grondtekst aan het woord komt is er één ding dat de lezer moet weten. Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon, getal en functie. Het woord zoals het in het vers staat ziet er daardoor anders uit dan het woord zoals het in een woordenboek of in een concordantie staat. In deze studie wordt daarom eerst de vorm genoemd zoals die werkelijk in het vers voorkomt en daarna de wortel waaruit die vorm is gebouwd. Wie beide naast elkaar ziet, ziet meteen waarom zij verschillen.
De Hebreeuwse grondtekst
Leviticus 19:16-18
16 Gij zult niet wandelen (לֹא־תֵלֵךְ / lo telekh) als een achterklapper (רָכִיל / rakhil) onder uw volken; gij zult niet staan (לֹא תַעֲמֹד / lo ta'amod) tegen het bloed (דַּם / dam) van uw naaste (רֵעֶךָ / re'ekha); Ik ben de Eeuwige! 17 Gij zult uw broeder in uw hart (בִּלְבָבֶךָ / bilvavekha) niet haten (לֹא־תִשְׂנָא / lo tisna); gij zult uw naaste naarstiglijk berispen (הוֹכֵחַ תּוֹכִיחַ / hokheach tokhiach), en zult de zonde in hem niet verdragen (לֹא־תִשָּׂא / lo tissa). 18 Gij zult niet wreken (לֹא־תִקֹּם / lo tikkom), noch toorn behouden (וְלֹא־תִטֹּר / velo tittor) tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben (וְאָהַבְתָּ לְרֵעֲךָ / ve'ahavta lere'akha) als uzelven (כָּמוֹךָ / kamokha); Ik ben de Eeuwige!
Het woord achterklapper is vertaald vanuit het Hebreeuwse רָכִיל (rakhil) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: venter, marskramer, rondtrekkende handelaar, iemand die van deur tot deur gaat. De wortel is רָכַל (rakhal) en die wortel beschrijft de bedrijvigheid van de handelaar. De Eeuwige noemt de roddelaar dus geen prater maar als het ware een koopman. Hij heeft een voorraad, hij heeft een route en hij heeft klanten. Wat hij verkoopt is de reputatie van zijn naaste.
Het woord wandelen is vertaald vanuit de vorm לֹא־תֵלֵךְ (lo telekh), gebouwd op de wortel הָלַךְ (halakh), en kan ook wel vertaald worden als gaan, zich voortbewegen, een levenswandel voeren. Het gaat om een gewoonte, niet om een uitglijder.
De uitdrukking gij zult niet staan tegen het bloed van uw naaste bevat de vorm תַעֲמֹד (ta'amod) uit de wortel עָמַד (amad), en die laat zich ook graag vertalen als stilstaan, blijven staan, erbij staan zonder te bewegen. Hier ligt geen verbod op moord, want dat is elders gegeven. Hier ligt een verbod op toekijken. Wie erbij staat wanneer het bloed van een ander in gevaar is, overtreedt dit gebod door niets te doen.
Het woord haten is vertaald vanuit תִשְׂנָא (tisna) uit de wortel שָׂנֵא (sane) en draagt de betekenissen verafschuwen, afwijzen, als vijand behandelen. Het staat gekoppeld aan בִּלְבָבֶךָ (bilvavekha), van לֵבָב (levav), dat ook wel vertaald kan worden als hart, binnenste, verstand, wil, overleg.
Dan komt het scharnier van het gehele hoofdstuk. De uitdrukking naarstiglijk berispen is vertaald vanuit הוֹכֵחַ תּוֹכִיחַ (hokheach tokhiach), tweemaal de wortel יָכַח (yakhach), en die wortel laat zich ook graag vertalen als terechtwijzen, rechtzetten, bewijzen, een zaak beslechten, oordelen. De verdubbeling van de werkwoordsvorm is in het Hebreeuws een van de sterkste vormen van nadruk die de taal beschikbaar heeft. Hier staat dus niet dat berispen mag. Hier staat dat berispen moet en dus een doelgerichte bijbelse plicht is.
De vorm תִשָּׂא (tissa) komt van נָשָׂא (nasa) en draagt de betekenissen opheffen, dragen, torsen, op zich nemen. Wie zwijgt over de zonde van zijn naaste, tilt die zonde op en draagt haar mee. Het zwijgen is dus geen neutraliteit. Het is medeplichtigheid.
De uitdrukking toorn behouden is vertaald vanuit תִטֹּר (tittor), wortel נָטַר (natar), en kan ook wel vertaald worden als bewaken, hoeden, onderhouden, in stand houden. Dezelfde wortel wordt in Hooglied 1:6 gebruikt voor het hoeden van een wijngaard. De wrok is in het Hebreeuws geen gevoel dat overkomt. Het is een tuin die men aanlegt en die men dagelijks water geeft. Het is een klimaat waarvoor men dagelijks kiest en dat men blijft voeden. Wie zich echter laat corrigeren en de grond volledig omploegt, nadat de doornen en distels verwijderd zijn, kan in zijn hart laten bloeien wat daadwerkelijk vrucht draagt.
En dan het slot. וְאָהַבְתָּ (ve'ahavta), van de wortel אָהַב (ahav), staat niet met een lijdend voorwerp maar met het voorzetsel לְ (le), dus letterlijk gij zult liefhebben tot uw naaste. Dat is geen stijlfout maar een aanwijzing. Er wordt geen gevoel bevolen dat naar binnen gericht is, maar een handeling die naar buiten uitgaat. En כָּמוֹךָ (kamokha) betekent als uzelf, waarbij de Hebreeuwse vorm de deur openlaat naar de uitleg dat de naaste is zoals u. In beide lezingen verdwijnt de afstand tussen de twee mensen.
Nu wordt de opbouw zichtbaar. Verbied de roddel, verbied het toekijken, verbied de verborgen haat, gebied de openlijke terechtwijzing, verbied de wraak, verbied de wrok. Wat overblijft is liefde. De liefde is niet het gevoel dat aan al die geboden voorafgaat. De liefde is wat er staat wanneer al die geboden zijn gedaan.
Spreuken 9:8
Bestraf (אַל־תּוֹכַח / al tokhach) den spotter (לֵץ / lets) niet, opdat hij u niet hate (פֶּן־יִשְׂנָאֶךָ / pen yisna'eka); bestraf (הוֹכַח / hokhach) den wijze (לְחָכָם / lechakham), en hij zal u liefhebben (וְיֶאֱהָבֶךָ / veye'ehaveka).
Spreuken 15:12
De spotter (לֵץ / lets) zal niet liefhebben (לֹא יֶאֱהַב / lo ye'ehav), die hem bestraft (הוֹכֵחַ לוֹ / hokheach lo); hij zal niet gaan (לֹא יֵלֵךְ / lo yelekh) tot de wijzen (אֶל־חֲכָמִים / el chakhamim).
Hier ligt een aantoonbaar verband en het is er één van gedeelde wortel. In Leviticus 19:17-18 staan drie wortels naast elkaar, namelijk שָׂנֵא (sane) voor haten, יָכַח (yakhach) voor terechtwijzen en אָהַב (ahav) voor liefhebben. In Spreuken 9:8 staan diezelfde drie wortels opnieuw naast elkaar, in dezelfde onderlinge verhouding. In Spreuken 15:12 keren יָכַח (yakhach) en אָהַב (ahav) nogmaals terug in één spreuk. Shlomo bespreekt dus niet toevallig hetzelfde onderwerp. Hij werkt met het vocabulaire van Leviticus 19.
Er is een tweede gedeelde wortel, en die vraagt om nauwkeurig lezen, omdat beide plaatsen dezelfde ontkenning gebruiken voor tegengestelde bewegingen. Leviticus 19:16 opent met לֹא־תֵלֵךְ (lo telekh) en Spreuken 15:12 sluit met לֹא יֵלֵךְ (lo yelekh). In beide gevallen gaat het om de wortel הָלַךְ (halakh), gaan, voorafgegaan door de ontkenning לֹא (lo).
Het verschil zit in wie er spreekt en waarover. In Leviticus staat een gebod in de tweede persoon, gericht tot de hoorder: gij zult niet gaan. Daar wordt een beweging verboden die de mens uit zichzelf wel degelijk maakt, want de roddelaar legt werkelijk zijn route af en brengt zijn woorden van deur tot deur. De ontkenning moet die gang tot stilstand brengen.
In Spreuken staat een vaststelling in de derde persoon, over iemand anders: hij zal niet gaan. Daar wordt geen beweging verboden maar een beweging gemist, want de spotter legt de weg naar de wijzen juist nooit af. De ontkenning beschrijft hier een gang die uitblijft.
Zo levert dezelfde wortel twee spiegelbeelden op. De een loopt waar hij moest stilstaan. De ander staat stil waar hij moest lopen. Beiden bewegen zich verkeerd ten opzichte van hun naaste, de eerste door met woorden naar anderen toe te gaan, de tweede door zich niet naar de terechtwijzing toe te bewegen.
Het woord spotter is vertaald vanuit לֵץ (lets), van de wortel לוּץ (luts), en draagt de betekenissen bespotten, uitlachen, de mond vertrekken, met woorden afweren. De spotter is niet dom. Hij is de man die het argument onschadelijk maakt door het belachelijk te maken, zodat hij het nooit hoeft te beantwoorden. Daarom is het antwoord op berisping bij hem haat en bij de wijze liefde.
En daarmee staat het gebod van Leviticus 19:17-18 volledig recht. Terechtwijzing en liefde zijn geen tegenpolen. De terechtwijzing is de vorm die de liefde aanneemt zodra zij iets ziet wat mis is. Wie zijn broeder ziet dwalen en zwijgt om de vrede te bewaren, heeft de valse vrede lief en zijn broeder niet.
De Griekse grondtekst
Mattheüs 22:37-40
37 En Yeshua zeide tot hem: Gij zult liefhebben (ἀγαπήσεις / agapēseis) de Eeuwige, uw God, met geheel (ὅλῃ / holē) uw hart (καρδίᾳ / kardia), en met geheel uw ziel (ψυχῇ / psychē), en met geheel uw verstand (διανοίᾳ / dianoia). 38 Dit is het eerste en het grote gebod (ἐντολή / entolē). 39 En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste (πλησίον / plēsion) liefhebben als uzelven (σεαυτόν / seauton). 40 Aan deze twee geboden hangt (κρέμαται / krematai) de ganse Thora (ὅλος ὁ νόμος / holos ho nomos) en de Profeten.
Het woord liefhebben is vertaald vanuit ἀγαπήσεις (agapēseis), toekomende tijd van ἀγαπάω (agapaō), en kan ook wel vertaald worden als waarderen, verkiezen, welgezind zijn, in daad toegewijd zijn. De vorm is geen aansporing maar een aankondiging. Zo luidt hij ook in de Septuaginta en daarom is dit geen parafrase van Yeshua maar een letterlijke overname.
Het woord naaste is vertaald vanuit πλησίον (plēsion) en draagt de betekenissen nabij, dichtbij, de nabijstaande. Het is oorspronkelijk een bijwoord van plaats. De naaste is in het Grieks niet gedefinieerd door verwantschap maar door afstand. Hij is degene die dicht genoeg bij u staat om door u geholpen te worden.
Het woord verstand is vertaald vanuit διάνοια (dianoia) en laat zich ook graag vertalen als denkvermogen, overleg, gezindheid, innerlijke gerichtheid. Dit woord is van belang, want de Septuaginta gebruikt hetzelfde διάνοια (dianoia) in Leviticus 19:17 om לֵבָב (levav) weer te geven. De plaats waar men zijn broeder niet mag haten is in het Grieks precies de plaats waarmee men de Eeuwige moet liefhebben.
Het beslissende woord staat in vers veertig. Hangt is vertaald vanuit κρέμαται (krematai), van κρεμάννυμι (kremannumi), en draagt de betekenissen ophangen, opgehangen zijn, afhangen van, gedragen worden door. Yeshua zegt niet dat de twee geboden de Thora en de Profeten vervangen. Hij zegt dat de gehele Thora en de Profeten eraan hangen.
Markus 12:31-33
31 En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben (ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου / agapēseis ton plēsion sou) als uzelven. Er is geen ander gebod, groter (μείζων / meizōn) dan deze. 33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen (ὁλοκαυτωμάτων / holokautōmatōn) en de slachtofferen (θυσιῶν / thysiōn).
Het woord brandofferen is vertaald vanuit ὁλοκαύτωμα (holokautōma) en dat is precies het woord waarmee de Septuaginta het Hebreeuwse עֹלָה (olah) weergeeft. De schriftgeleerde spreekt hier dus in de taal van de Thora zelf en hij zegt niets nieuws. Hij herhaalt wat de profeten al hadden gezegd toen zij verklaarden dat gehoorzaamheid boven offerande gaat.
Lukas 10:27-28
27 En hij, antwoordende, zeide: Gij zult de Eeuwige, uw God, liefhebben (ἀγαπήσεις / agapēseis), uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht (ἰσχύος / ischyos), en uit geheel uw verstand; en uw naaste (πλησίον / plēsion) als uzelven. 28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe (ποίει / poiei) dat, en gij zult leven (ζήσῃ / zēsē).
Het woord doe is vertaald vanuit ποίει (poiei), gebiedende wijs van ποιέω (poieō), en kan ook wel vertaald worden als maken, verrichten, uitvoeren, in praktijk brengen. Het woord leven is vertaald vanuit ζήσῃ (zēsē), van ζάω (zaō). Yeshua antwoordt op de vraag naar het eeuwige leven met een gebiedende wijs. Niet door een gevoel. Niet door het slechts te belijden. Maar juist door het te doen.
Galaten 5:13-14
13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient (δουλεύετε / douleuete) elkander door de liefde (ἀγάπης / agapēs). 14 Want de gehele Thora (ὁ πᾶς νόμος / ho pas nomos) wordt in een woord (ἐν ἑνὶ λόγῳ / en heni logō) vervuld (πεπλήρωται / peplērōtai), namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.
Het woord dient is vertaald vanuit δουλεύετε (douleuete), van δουλεύω (douleuō), en draagt de betekenissen slaaf zijn, dienstbaar zijn, in gebondenheid dienen. Sha'ul roept in één adem op tot vrijheid en tot slavernij. De vrijheid waarover hij spreekt is dus geen vrijheid van verplichting maar een vrijheid waarin men zich vrijwillig verbindt.
Het woord vervuld is vertaald vanuit πεπλήρωται (peplērōtai), voltooid tegenwoordige tijd van πληρόω (plēroō), en laat zich ook graag vertalen als vol maken, tot volheid brengen, geheel vullen, tot zijn volle inhoud brengen. Het is dezelfde wortel die Yeshua gebruikt wanneer Hij spreekt over Zijn verhouding tot de Thora en de Profeten. Een vat dat gevuld wordt, wordt niet weggegooid.
1 Johannes 4:20
20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat (μισῇ / misē) zijn broeder (ἀδελφόν / adelphon), die is een leugenaar (ψεύστης / pseustēs).
1 Johannes 5:3
3 Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden (ἐντολὰς / entolas) bewaren (τηρῶμεν / tērōmen); en Zijn geboden zijn niet zwaar (βαρεῖαι / bareiai).
2 Johannes 1:6
6 En dit is de liefde, dat wij wandelen (περιπατῶμεν / peripatōmen) naar Zijn geboden (ἐντολὰς / entolas).
Het woord bewaren is vertaald vanuit τηρῶμεν (tērōmen), van τηρέω (tēreō), en draagt de betekenissen bewaken, in het oog houden, onderhouden, in stand houden, als een wachter behoeden. Het woord zwaar is vertaald vanuit βαρεῖαι (bareiai), van βαρύς (barys), en kan ook wel vertaald worden als gewichtig, drukkend, lastig te dragen. Datzelfde βαρύς (barys) komt terug in Mattheüs 23:4, waar Yeshua spreekt over de zware lasten die men op de schouders van mensen bindt. De geboden van de Eeuwige zijn dus niet zwaar. Wat men eraan toevoegt of eromheen bouwt, is dat wel.
Het woord wandelen is vertaald vanuit περιπατῶμεν (peripatōmen), van περιπατέω (peripateō), en laat zich ook graag vertalen als rondgaan, zich bewegen, zijn leven inrichten. Yochanan geeft in 2 Johannes 1:6 een sluitende omschrijving van de liefde en die omschrijving is een levenswandel naar de geboden. Wie de geboden afschaft en de liefde behoudt, houdt van deze zin totaal niets over.
Van de Septuaginta naar het Nieuwe Testament
De Griekse vertaling van het Oude Testament laat zien met welke woorden de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun hoofd werkten. Hieronder staat eerst de oudtestamentische tekst met de woorden van de Septuaginta en direct daaronder de nieuwtestamentische tekst met dezelfde woorden.
Leviticus 19:17-18
17 Gij zult uw broeder (ἀδελφόν / adelphon) in uw hart (διανοίᾳ / dianoia) niet haten (μισήσεις / misēseis); gij zult uw naaste (πλησίον / plēsion) naarstiglijk berispen (ἐλεγμῷ ἐλέγξεις / elegmō elegxeis). 18 Maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven (ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν / agapēseis ton plēsion sou hōs seauton).
Mattheüs 22:39
En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven (ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν / agapēseis ton plēsion sou hōs seauton).
Galaten 5:14
Want de gehele Thora wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven (ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν / agapēseis ton plēsion sou hōs seauton).
1 Johannes 4:20
Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder (μισῇ τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ / misē ton adelphon autou), die is een leugenaar.
Wat hier staat is een citaat, geen zinspeling. De woordvolgorde van Mattheüs 22:39 en van Galaten 5:14 loopt woordelijk gelijk met Leviticus 19:18 in de Septuaginta, tot en met het voorzetsel en het wederkerend voornaamwoord. Markus 12:31 en Lukas 10:27 dragen dezelfde bewoording, waarbij Lukas de zin bekort tot de kern.
De verhouding tot 1 Johannes 4:20 is een zinspeling en de vindplaats waaruit dat blijkt is Leviticus 19:17 in de Septuaginta. Daar staan μισέω (miseō) en ἀδελφός (adelphos) in dezelfde koppeling die Yochanan gebruikt. Hij bouwt zijn brief dus op de eerste helft van hetzelfde gebodspaar, terwijl de evangeliën de tweede helft citeren. Samen dekken zij Leviticus 19:17-18 volledig af.
Er is nog een derde verband, opnieuw een zinspeling. Lukas 10:28 luidt in het Grieks τοῦτο ποίει καὶ ζήσῃ (touto poiei kai zēsē). De vindplaats waaruit deze zinspeling blijkt is Leviticus 18:5 in de Septuaginta, waar dezelfde koppeling van ποιέω (poieō) en ζάω (zaō) staat en waar het gaat om het doen van de inzettingen en rechten van de Eeuwige. Yeshua legt de wetgeleerde dus geen nieuwe leer voor. Hij legt hem het hoofdstuk voor dat direct aan Leviticus 19 voorafgaat.
Bij Deuteronomium 6:5 en de evangeliën loopt de bewoording gedeeltelijk gelijk en gedeeltelijk uiteen. ἀγαπήσεις (agapēseis), ὅλης (holēs), καρδίας (kardias) en ψυχῆς (psychēs) komen overeen. Het vierde element in de evangeliën, namelijk διάνοια (dianoia), staat in het Hebreeuws van Deuteronomium 6:5 niet als afzonderlijke term naast de drie andere. Een deel van de Griekse handschriften van Deuteronomium 6:5 leest διανοίας (dianoias) waar andere καρδίας (kardias) lezen, wat de herkomst van de term verklaart maar geen woordelijke overname aantoont. Dit wordt hier daarom uitdrukkelijk niet als citaat gepresenteerd. Wel is aantoonbaar dat διάνοια (dianoia) in de Septuaginta van Leviticus 19:17 het woord is waarmee het Hebreeuwse לֵבָב (levav) wordt weergegeven, wat aantoont dat de term binnen dit woordveld thuishoort.
De rekening
Mattheüs 5:17-20
17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Thora of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de Thora voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
Mattheüs 5:17-20 staat in hetzelfde evangelie als Mattheüs 22:37-40, uit dezelfde mond, over dezelfde volmaakte Thora. Daar wordt uitgesproken dat er niets vergaat en dat wie het kleinste gebod ontbindt en de mensen zo leert, de minste zal heten. Wie dus het tweede grote gebod uit de mond van Yeshua overneemt, neemt het over uit Leviticus 19:18, uit het hoofdstuk waarin ook de sabbat, de eerlijke weegschaal, de oogsthoek voor de arme en het verbod op wraak staan. Men kan de zin niet uit dat hoofdstuk halen en het hoofdstuk vervolgens afgeschaft verklaren. De spijker en het schilderij komen uit dezelfde muur.
Wie draagt daarvan de schuld?
Niet de gelovige die zondag na zondag hoort dat de Thora is weggedaan en die nooit is verteld waar het gebod van de naastenliefde geschreven staat. Hij heeft ontvangen wat hem werd aangereikt en hij handelt naar het valse licht dat hij voorgeschoteld kreeg. De Schrift kent het onderscheid tussen dwaling uit onwetendheid en handelen tegen beter weten in en zij behandelt die twee niet gelijk.
De rekening ligt bij de instelling die het wél weet. Bij de leraren die de verwijzing naar Leviticus 19:18 in elke commentaar zien staan, die het Griekse ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν (agapēseis ton plēsion sou hōs seauton) in de Septuaginta en in het Nieuwe Testament woord voor woord identiek voor zich hebben liggen en die vervolgens vanaf de kansel verkondigen dat de heilige Thora van Moshe voorbij is. Met het onzichtbare katholieke mes onder de keel prediken zij de traditie die vers achttien tot lijfspreuk maakt en vers zeventien doelbewust verzaakt, omdat vers zeventien terechtwijzing eist en terechtwijzing de collecteopbrengst naar het nulpunt brengt.
Zij hebben van het gebod een gevoel gemaakt. Van de terechtwijzing hebben zij liefdeloosheid gemaakt. Van het zwijgen hebben zij een deugd gemaakt.
En de Eeuwige noemde dat zwijgen in Leviticus 19:17 het dragen van de zonde van een ander.
De naastenliefde is geen sentimentele warmte. Zij is een handelwijze. Zij verbiedt u handel te drijven in de reputatie van uw broeder. Zij verbiedt u toe te kijken wanneer zijn bloed in gevaar is. Zij verbiedt u hem in stilte te haten. Zij gebiedt u hem in het gezicht te zeggen wat u achter zijn rug zou fluisteren. Zij verbiedt u de wrok te bewateren als een wijngaard. En pas wanneer dat alles gedaan is, staat er wat er staat.
Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven:
Leviticus 19:16-18
16 Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben de Eeuwige! 17 Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen. 18 Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de Eeuwige!
Vers achttien klinkt in ieder koor,
vers zeventien kreeg echter nooit gehoor.