God liefhebben:
Wat de Bijbel er werkelijk mee bedoelt

Inleiding 

Er is iets ontroerends aan het feit dat de Allerhoogste Zich laat liefhebben. Hij had ontzag kunnen eisen en Zich verder kunnen terugtrekken achter de rook van de berg. In plaats daarvan opent Hij Zijn verbond met een uitnodiging waarin het woord liefde staat, en Hij plaatst dat woord op de gewichtigste plek die de Schrift kent, namelijk midden in de tien woorden. Vanaf dat moment loopt er een draad door de hele Schrift heen. Die draad komt terug in de vlakte van Moab, in de liederen van David, in de laatste avond van Yeshua (Jezus) bij Zijn discipelen en in de brief van een oud geworden Yochanan (Johannes). Wie die draad volgt, ontdekt dat de Eeuwige nergens vraagt om een gevoel dat de mens uit zichzelf moet opwekken. Hij vraagt om toewijding die zichtbaar wordt, en Hij zegt er telkens bij hoe die eruitziet. 

We beginnen bij de berg Sinaï, waar het begrip God liefhebben voor het eerst letterlijk genoemd wordt. De Eeuwige verbiedt daar het maken van beelden en zet vervolgens twee groepen mensen tegenover elkaar. Er zijn er die Hem haten en er zijn er die Hem liefhebben. Wat opvalt is dat Hij die tweede groep niet omschrijft naar wat zij voelen maar naar wat zij doen. In één adem, zonder enige tussenruimte, noemt Hij hen liefhebbers en onderhouders van Zijn geboden. Dit is de eerste maal dat het woord liefde in een gebod verschijnt en meteen is de betekenis vastgelegd door de Allerhoogste Zelf. 

Exodus 20:4-6 

4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Eeuwige uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; 6 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 

Veertig jaar later staat een nieuwe generatie aan de rand van het beloofde land. Zij hebben de berg niet zien roken, want zij waren op dat moment nog niet geboren. Hun ouders hebben het beloofde land nooit gezien, omdat zij door hun ongehoorzaamheid in de woestijn gestorven zijn. Moshe (Mozes) herhaalt daarom de tien woorden voor hen, en op de plaats waar de liefde ter sprake komt verandert hij geen letter. De omschrijving van degenen die God liefhebben staat er woordelijk exact hetzelfde. Wat op de Sinaï gold voor de uitgeleide slaven, geldt onverkort voor de kinderen die het land zullen binnengaan. 

Deuteronomium 5:9-10 

9 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Eeuwige, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; 10 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 

Wie Deuteronomium leest, ondergaat de ongeremde kracht van de herhaling. Deuteronomium 4 tot 8 loopt dan ook aan een stuk door en daarmee biedt Moshe de sleutels aan voor een diepgaande relatie en vele zegeningen. 

In dit stuk zien we dan ook vooral hoe het Shema haar vorm en oorsprong heeft in het zuivere onderwijs van Moshe. Eerst benadrukt hij wie de Eeuwige is, namelijk één, en daaruit volgt hoe men Hem moet liefhebben, namelijk met alles. Het bijzondere zit in wat er direct achteraankomt. Nauwelijks is het gebod tot liefde uitgesproken of de woorden zelf worden erbij gelegd. Zij moeten in het hart wonen, aan kinderen worden ingescherpt en meegaan door de gewone uren van de dag, thuis en onderweg, bij het slapen gaan en bij het opstaan. De liefde krijgt hier geen tempel maar een huishouden. 

Deuteronomium 6:4-7 

4 Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, is een enig Eeuwige! 5 Zo zult gij de Eeuwige, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen. 6 En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn. 7 En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat. 

Even verderop wendt Moshe de blik van de mens naar de Eeuwige toe. Hier gaat het niet in de eerste plaats over de trouw van Israël maar over de trouw van de Allerhoogste Zelf. Hij houdt Zijn verbond en Hij doet dat aan hen die Hem liefhebben, waarbij Hij die groep opnieuw omschrijft als degenen die Zijn geboden houden. De reikwijdte is duizelingwekkend, want zij loopt door tot in duizend geslachten. Wie in gehoorzaamheid alleen een last ziet, wordt hier gecorrigeerd door de belofte die eraan vastzit. 

Deuteronomium 7:9-11 

9 Gij zult dan weten, dat de Eeuwige, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden, tot in duizend geslachten. 10 En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn hater niet vertrekken, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden. 11 Houdt dan de geboden, en de inzettingen, en de rechten, die ik u heden gebiede, om die te doen. 

Dan komt de kortste en helderste samenvatting van het geheel. In één enkel vers staat de opdracht tot liefhebben naast de opdracht tot onderhouden, en daartussen valt geen ruimte om ze te scheiden. Er wordt bovendien een tijdsbepaling toegevoegd die alle uitzonderingen wegneemt, want het gaat om alle dagen. Wie zoekt naar de plaats waar de Schrift het duidelijkst zegt hoe liefde eruitziet, vindt haar hier. 

Deuteronomium 11:1 

Daarom zult gij de Eeuwige, uw God, liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden. 

Verderop in datzelfde hoofdstuk wordt de liefde in drie bewegingen uiteengelegd die elkaar aanvullen. Er is het houden van de geboden, er is het wandelen in Zijn wegen en er is het aanhangen van Hem. De eerste beweging gaat over trouw, de tweede over richting en de derde over nabijheid. Het laatste werkwoord is de meest intieme omschrijving van deze drie, want het beschrijft geen afstandelijke onderdaan maar iemand die zich vastklemt. Op deze drievoudige toewijding volgt een belofte die niet klein is. 

Deuteronomium 11:22-23 

22 Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, de Eeuwige, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende; 23 Zo zal de Eeuwige al deze volken van voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan gij zijt. 

Wie tot hiertoe gelezen heeft en nog steeds denkt dat deze liefde koel is en enkel uit plichten bestaat, mist de ontvankelijkheid die de Eeuwige zoekt in het hart van Zijn kinderen. 

Daarom gaan we zien hoe David hiermee omging. Hij heeft de vervolging overleefd en hij zet een lied in dat begint met een uitroep waarin het hart hoorbaar resoneert. Voordat hij één weldaad opsomt, spreekt hij eerst zijn liefde uit, en pas daarna stapelt hij de beelden op waarmee hij de Eeuwige beschrijft als een rots en een burg en het schild waarachter hij schuilen kan. Dit is geen onderdaan die zijn verplichtingen nakomt maar een man die zijn Redder omhelst. 

Psalm 18:2-3 

2 Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, de Eeuwige, mijn Sterkte! 3 De Eeuwige is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek. 

Aan het einde van zijn leven schrijft dezelfde David een loflied waarin hij de zorg van de Allerhoogste beschrijft voor wie zich tot Hem wenden. Halverwege staat een zin die gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Steeds ging het over mensen die bewaren wat de Eeuwige gesproken heeft. Hier is Hij het die bewaart, en degenen die Hij bewaart zijn degenen die Hem liefhebben. Het verbond blijkt geen eenrichtingsverkeer te zijn, maar een diepe wederzijdse relatie. 

Psalm 145:18-20 

18 De Eeuwige is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid. 19 Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen. 20 De Eeuwige bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij verdelgt alle goddelozen. 

Eeuwen later zit Yeshua op de laatste avond van Zijn leven met Zijn discipelen aan tafel. Zij zijn verward en bang, want Hij heeft aangekondigd dat Hij weggaat. In die spanning geeft Hij hun geen nieuw stelsel maar een herkenningsteken, en dat teken is precies datgene wat zij vanaf hun kindertijd hebben opgezegd. Wie Hem liefheeft, bewaart Zijn geboden. Aan die zin verbindt Hij vervolgens de belofte van de Trooster, zodat de gehoorzaamheid nooit een eenzame krachtsinspanning wordt. 

Johannes 14:15-17 

15 Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. 16 En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; 17 Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. 

Even later in hetzelfde gesprek zegt Hij het opnieuw, en nu van beide kanten. Eerst positief, want wie Zijn geboden heeft en bewaart is degene die liefheeft. Daarna negatief, want wie Hem niet liefheeft bewaart Zijn woorden niet. Er blijft geen tussenweg over. Tussen die twee uitspraken in staat de warmste belofte van het hele hoofdstuk, want de Vader en de Zoon zullen bij zo iemand woning maken. Gehoorzaamheid opent hier geen dossier maar een deur. 

Johannes 14:21-24 

21 Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren. 22 Judas, niet de Iskariot, zeide tot Hem: Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld? 23 Yeshua antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 24 Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft. 

In het volgende hoofdstuk gaat Hij nog een stap verder en past Hij de maatstaf eerst op Zichzelf toe. Hij vraagt niets van Zijn discipelen wat Hij niet Zelf heeft gedaan, want Hij heeft de geboden van Zijn Vader bewaard en blijft daardoor in Zijn liefde. Wie deze zin langzaam leest, hoort dat blijven in de liefde geen stemming is die men probeert vast te houden maar een plaats waar men door gehoorzaamheid staan blijft. Het doel dat Hij eraan verbindt is opmerkelijk, want het is blijdschap. 

Johannes 15:9-11 

9 Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde. 10 Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven, gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde. 11 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde. 

Zeker vijftig jaar later schrijft Yochanan als oude man aan gemeenten waar men begon te beweren dat kennis van de Allerhoogste losstond van gehoorzaamheid aan Hem. Hij snijdt die gedachte in drie zinnen door. Er is een toets waaraan men zien kan of iemand Hem werkelijk kent, er is een naam voor wie die toets niet doorstaat en er is een maat waaraan de wandel wordt afgemeten, namelijk de wandel van Yeshua Zelf. Tussen de Sinaï en de brief van Yochanan liggen ruim vijftien eeuwen, twee talen en de hele geschiedenis van Israël. De omschrijving van wie de Allerhoogste liefheeft is in die periode echter geen letter veranderd. 

1 Johannes 2:3-6 

3 En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren. 4 Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet; 5 Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn. 6 Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft. 

Een woord vooraf over de grondtekst 

Het Hebreeuws en het Grieks buigen hun woorden. Een werkwoord verandert van gedaante naarmate het spreekt over een ander, over meer dan één of over een andere tijd. Wat in het woordenboek staat als אָהַב‎ (ahav) verschijnt in het vers als וְאָהַבְתָּ‎ (ve'ahavta), omdat de zin zich richt tot één hoorder en een blijvende opdracht geeft. In de exegese hieronder wordt daarom eerst de vorm genoemd zoals die werkelijk op die plaats staat en daarna de wortel waaruit die gevormd is. Wie beide naast elkaar ziet, herkent dat het om hetzelfde woord gaat, alleen in beweging gebracht door de zin waarin het staat. 

God liefhebben vanuit een Hebreeuws perspectief 

Exodus 20:6 

En doe barmhartigheid (חֶסֶד‎, chesed) aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben (לְאֹהֲבַי‎, le'ohavai), en Mijn geboden onderhouden (וּלְשֹׁמְרֵי‎, uleshomrei). 

Het woord barmhartigheid staat als חֶסֶד‎ (chesed) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: verbondstrouw, goedertierenheid, standvastige gunst, loyaliteit die niet loslaat. Het is niet de vluchtige goedheid van een gunstig ogenblik maar de trouw van iemand die zich verbonden heeft. 

Het woord liefhebben staat als לְאֹהֲבַי‎ (le'ohavai), gevormd uit de wortel אָהַב‎ (ahav), en kan ook wel vertaald worden als beminnen, verkiezen, toegedaan zijn, trouw blijven aan een verbondspartner. De vorm is een deelwoord, wat betekent dat het geen daad van een enkel moment aanduidt maar een blijvende hoedanigheid. Het gaat om mensen die de Eeuwige volhardend liefhebben en trouw zijn en dus niet om mensen die naar hun eigen wensen hun gevoel volgen wanneer het hun uitkomt. 

Het woord onderhouden staat als וּלְשֹׁמְרֵי‎ (uleshomrei), van de wortel שָׁמַר‎ (shamar), en laat zich ook graag vertalen als bewaken, hoeden, behoeden, zorgvuldig bewaren. Het is het werkwoord van de wachter die bij nacht zijn post niet verlaat. 

Deuteronomium 6:5 

Zo zult gij de Eeuwige, uw God, liefhebben (וְאָהַבְתָּ‎, ve'ahavta), met uw ganse hart (לְבָבְךָ‎, levavcha), en met uw ganse ziel (נַפְשְׁךָ‎, nafshecha), en met al uw vermogen (מְאֹדֶךָ‎, me'odecha). 

Het woord hart staat als לְבָבְךָ‎ (levavcha), van לֵבָב‎ (levav), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: verstand, wil, geweten, het inwendige waar besluiten vallen. Wie hier alleen aan gevoel denkt, snijdt het woord selectief doormidden en mist het geheel dat de Schrift hem aanreikt. 

Het woord ziel staat als נַפְשְׁךָ‎ (nafshecha), van נֶפֶשׁ‎ (nefesh), en kan ook wel vertaald worden als levensadem, keel, verlangen, het gehele levende wezen. 

Het woord vermogen staat als מְאֹדֶךָ‎ (me'odecha), van מְאֹד‎ (me'od), en laat zich ook graag vertalen als veelheid, overvloed, uiterste mate. Elders in de Schrift dient dit woord als het bijwoord voor zeer. Hier wordt het zelfstandig gemaakt, zodat alles waarvan een mens veel bezit erin wordt opgenomen. 

Deuteronomium 7:9 

Gij zult dan weten, dat de Eeuwige, uw God, die God is, die getrouwe (הַנֶּאֱמָן‎, hane'eman) God, welke het verbond (הַבְּרִית‎, habberit) en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden, tot in duizend geslachten. 

Het woord getrouwe staat als הַנֶּאֱמָן‎ (hane'eman), van de wortel אָמַן‎ (aman), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: vaststaan, betrouwbaar zijn, dragen als een pilaar, standhouden. Uit deze wortel komt ook het woord amen. Wie zegt amen, verklaart dat iets staat. 

Het woord verbond staat als הַבְּרִית‎ (habberit), van בְּרִית‎ (berit), en kan ook wel vertaald worden als bondgenootschap, plechtige overeenkomst, gesneden eed. Hier ligt de kern van het geheel. De liefde waarover Moshe spreekt is verbondsliefde, en een verbond kent afspraken. 

Deuteronomium 11:22 

Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, de Eeuwige, uw God, liefhebbende (לְאַהֲבָה‎, le'ahavah), wandelende (לָלֶכֶת‎, lalechet) in al Zijn wegen, en Hem aanhangende (וּלְדָבְקָה‎, uledovkah). 

Het woord aanhangende staat als וּלְדָבְקָה‎ (uledovkah), van de wortel דָּבַק‎ (davak), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: aankleven, vastplakken, zich onlosmakelijk hechten. Dit is een aantoonbaar gedeelde wortel met Genesis 2:24, waar de man zijn vrouw aanhangt. De Thora tekent de liefde tot de Allerhoogste dus met het beeld van de vastste band die er bestaat. 

Psalm 18:2 

Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben (אֶרְחָמְךָ‎, erchamcha), de Eeuwige, mijn Sterkte! 

In Psalm 18:2 kiest David voor een ander woord dan de verbondsterm uit de Thora. Hij grijpt naar iets warmers, dat dichter bij het menselijk gevoel staat. Het woord liefhebben is hier namelijk vertaald vanuit het woord אֶרְחָמְךָ‎ (erchamcha), van de wortel רָחַם‎ (racham), en laat zich ook graag vertalen als innerlijk bewogen worden, zich ontfermen, teder omvatten. 

Dezelfde drie medeklinkers vormen ook het woord voor moederschoot, רֶחֶם‎ (rechem), en de woordenboeken behandelen beide onder één wortel. Het is de taal van de ingewanden, niet van de plicht, en zij komt uit de mond van een man die zijn hele leven de geboden bewaarde. 

Psalm 145:20 

De Eeuwige bewaart (שׁוֹמֵר‎, shomer) al degenen, die Hem liefhebben (אֹהֲבָיו‎, ohavav); maar Hij verdelgt alle goddelozen. 

Twee wortels keren hier terug, שָׁמַר‎ (shamar) en אָהַב‎ (ahav), precies de twee die in Exodus 20:6 naast elkaar stonden. David bedenkt hier niets nieuws en hij keert niets om. Hij herhaalt wat de Thora al zei. 

Kijk naar Deuteronomium 7:9. Daar staat dat de Eeuwige het verbond en de weldadigheid houdt aan hen die Hem liefhebben en Zijn geboden houden. Het werkwoord voor dat houden is שֹׁמֵר‎ (shomer), en het onderwerp daarvan is de Eeuwige Zelf. De Thora zegt dus met zoveel woorden dat Hij bewaart terwijl zij bewaren, en zij noemt beide bewegingen in één adem. 

Psalm 145:20 neemt datzelfde deelwoord over en zet het op dezelfde plaats, met dezelfde groep mensen als voorwerp. De Eeuwige bewaart al degenen die Hem liefhebben. 

Dit is dus geen citaat en het is ook geen nieuw inzicht van de Psalmist. Het is een aantoonbaar gedeelde wortel die laat zien dat de wederkerigheid van het verbond niet in de Psalmen wordt bedacht maar in de Thora al vastligt. 

Exegese van de Griekse tekst 

Johannes 14:15 

Indien gij Mij liefhebt (ἀγαπᾶτε‎, agapate), zo bewaart (τηρήσετε‎, tērēsete) Mijn geboden (ἐντολάς‎, entolas). 

Het woord liefhebt staat als ἀγαπᾶτε‎ (agapate), van ἀγαπάω‎ (agapaō), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: hoogachten, verkiezen, toegewijd zijn, welgevallen hebben in. 

Het woord bewaart staat als τηρήσετε‎ (tērēsete), van τηρέω‎ (tēreō), en kan ook wel vertaald worden als bewaken, in het oog houden, behoeden, in stand houden. De vorm is toekomende tijd, wat de zin de klank geeft van een vaststelling. Wie liefheeft, zal bewaken. 

Johannes 15:10 

Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven (μενεῖτε‎, meneite), gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde. 

Het woord blijven staat als μενεῖτε‎ (meneite), van μένω‎ (menō), en laat zich ook graag vertalen als verblijven, standhouden, wonen, niet wijken. Yeshua zegt hier iets ontzagwekkends over Zichzelf. Hij past de maatstaf eerst op Zichzelf toe voordat Hij haar aan anderen oplegt. 

1 Johannes 2:4-5 

4 Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar (ψεύστης‎, pseustēs), en in dien is de waarheid niet; 5 Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden (τετελείωται‎, teteleiōtai). 

Het woord leugenaar staat als ψεύστης‎ (pseustēs), van ψεύδομαι‎ (pseudomai), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: bedrieger, iemand wiens woord vals is. Yochanan bewaart dit oordeel voor wie Hem belijdt te kennen maar Zijn geboden niet bewaart. 

Het woord volmaakt geworden staat als τετελείωται‎ (teteleiōtai), van τελειόω‎ (teleioō), en kan ook wel vertaald worden als tot voltooiing gebracht, tot zijn doel geleid, afgemaakt. De vorm is perfectum passief, wat wil zeggen dat het bereikte resultaat blijft staan. De liefde is dus niet af bij de belijdenis, maar bij het bewaren van Zijn Woord. 

Van de Septuaginta naar het Nieuwe Testament 

Wie wil zien of het Nieuwe Testament de Thora werkelijk overneemt, moet de teksten naast elkaar leggen en kijken welke woorden meereizen. Twee vergelijkingen zijn daarvoor beslissend. 

De eerste vergelijking betreft de belijdenis uit Deuteronomium. 

Deuteronomium 6:4-5 

4 Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, is een enig Eeuwige! 5 Zo zult gij de Eeuwige, uw God, liefhebben (ἀγαπήσεις‎, agapēseis), met uw ganse hart (καρδίας‎, kardias), en met uw ganse ziel (ψυχῆς‎, psychēs), en met al uw vermogen (δυνάμεως‎, dynameōs). 

Markus 12:29-30 

29 En Yeshua antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, is de enige Eeuwige. 30 En gij zult de Eeuwige, uw God, liefhebben (ἀγαπήσεις‎, agapēseis) uit geheel uw hart (καρδίας‎, kardias), en uit geheel uw ziel (ψυχῆς‎, psychēs), en uit geheel uw verstand (διανοίας‎, dianoias), en uit geheel uw kracht (ἰσχύος‎, ischyos). Dit is het eerste gebod. 

Wanneer Yeshua gevraagd wordt naar het eerste van alle geboden, begint Hij niet bij Zichzelf maar bij het bekende Shema Israel, oftewel Hoor, Israël. Hij zet de belijdenis van Moshe voorop en spreekt daarna het liefdesgebod uit in de bewoording van de Septuaginta. Het werkwoord staat in beide teksten in dezelfde vorm, namelijk ἀγαπήσεις‎ (agapēseis), en het is precies het woord waarmee de Septuaginta het Hebreeuwse אָהַב‎ (ahav) weergeeft. Ook καρδία‎ (kardia) voor het hart en ψυχή‎ (psychē) voor de ziel staan in beide teksten gelijk. Dit is een citaat in de eigenlijke zin en dus geen verre echo of een vage thematische gelijkenis. Wel telt de weergave bij Markus vier bestanddelen tegen drie in Deuteronomium, doordat διανοίας‎ (dianoias) is toegevoegd en ἰσχύος‎ (ischyos) de plaats van δυνάμεως‎ (dynameōs) inneemt. Die twee woorden worden hier daarom niet als woordelijke overname gepresenteerd. 

De tweede vergelijking betreft de tien woorden. 

Exodus 20:6 

En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben (ἀγαπῶσίν‎, agapōsin), en Mijn geboden (προστάγματα‎, prostagmata) onderhouden (φυλάσσουσιν‎, phylassousin). 

Deuteronomium 11:1 

Daarom zult gij de Eeuwige, uw God, liefhebben (ἀγαπήσεις‎, agapēseis), en gij zult te allen dage onderhouden (φυλάξῃ‎, phylaxē) Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden (ἐντολὰς‎, entolas). 

Johannes 14:15 

Indien gij Mij liefhebt (ἀγαπᾶτε‎, agapate), zo bewaart (τηρήσετε‎, tērēsete) Mijn geboden (ἐντολάς‎, entolas). 

1 Johannes 2:3 

En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden (ἐντολὰς‎, entolas) bewaren (τηρῶμεν‎, tērōmen). 

Hier is eerlijkheid geboden. De Septuaginta geeft het onderhouden in Exodus 20:6 weer met φυλάσσουσιν‎ (phylassousin), van φυλάσσω‎ (phylassō), en de geboden met προστάγματα‎ (prostagmata), van πρόσταγμα‎ (prostagma), terwijl Yeshua τηρέω‎ (tēreō) en ἐντολή‎ (entolē) gebruikt. Van een woordelijke overname van dat vers is dus geen sprake. Wat wel aantoonbaar is, ligt in Deuteronomium 11:1, want daar koppelt de Septuaginta ἀγαπήσεις‎ (agapēseis) rechtstreeks aan ἐντολὰς‎ (entolas). Precies dat woordenpaar staat bij Yochanan naast elkaar, zowel in Johannes 14:15 als in 1 Johannes 2:3. Het gaat hier dus om een aantoonbare zinspeling en niet om een citaat. 

Wie deze vier teksten onder elkaar leest, ziet dezelfde zin viermaal terugkomen. Liefhebben en geboden bewaren blijven aan elkaar vastzitten, van de stenen tafelen tot de brief van Yochanan. De koppeling is niet in de bovenzaal bedacht. Zij is meegenomen uit de Thora, in het Grieks van de Thora zelf. 

Toch kan het zijn dat een oplettende lezer zich afvraagt waarom de Griekse woorden in Exodus 20:6 en Johannes 14:15 zodanig van elkaar verschillen. De eerste reden is dat een schrijver de tekst vaak niet citeerde maar aanhaalde uit het hoofd, in de vorm die zijn zin nodig had. Wie in het Aramees of Hebreeuws sprak en het in het Grieks opschreef, koos daarbij het Griekse woord dat het beste bij zijn eigen zin paste. Dat is bij φυλάσσω‎ (phylassō) en τηρέω‎ (tēreō) precies wat er gebeurt. Beide staan voor het Hebreeuwse שָׁמַר‎ (shamar), en het Grieks bezat nu eenmaal twee woorden waar het Hebreeuws er één had. 

De tweede reden is dat het Grieks tussen de derde eeuw voor en de eerste eeuw na de jaartelling veranderde. πρόσταγμα‎ (prostagma) is een woord uit de ambtelijke taal van het Ptolemeïsche Egypte, waar het een koninklijk decreet aanduidde. In de tijd van Yeshua was ἐντολή‎ (entolē) het gewone woord voor een gebod geworden. De keuze voor ἐντολή‎ (entolē) is dus geen theologische verschuiving maar hedendaags taalgebruik, en niet toevallig gebruikt de Septuaginta datzelfde woord in Deuteronomium 11:1. 

Tot slot 

De Eeuwige heeft het woord liefde niet aan de mens overgelaten. Hij heeft het gevuld op de Sinaï, herhaald in de vlakte van Moab, laten bezingen door David en op Zijn laatste avond woordelijk gegeven aan hen die Hem het meest dierbaar waren. Van de eerste steen tot deze brief spreekt één stem, met één omschrijving. 

Kan iemand de Allerhoogste liefhebben en tegelijk terzijde schuiven wat Hij gebiedt? 

Nee. 

De discipel die het dichtst bij Yeshua stond maakt dit heel duidelijk in zijn brief aan de gemeenschap. Maar let op wie Yochanan aanspreekt. 

Niet degenen die Hem oprecht zoeken, maar wie bewust zegt: 

Ik ken Hem, maar Zijn geboden hoef ik niet. 

We moeten ons ervan bewust zijn dat iemand die Hem zegt te kennen, verkeert in een geestelijk proces waarin hij structureel de Thora naar de prullenbak verwijst. Iemand leren kennen is namelijk een proces, waarin er vroeg of laat sprake is van correctie en dialoog. Juist daarom is het ten hemel schreiend, wanneer de zegeningen van de volmaakte wet worden genegeerd, alsof het iets is, dat niet langer relevant is. 

De Thora kende dat onderscheid al. Voor de dwaling uit onwetendheid stond een offer klaar. Voor de daad met opgeheven hand stond geen enkel offer gereed, maar uitroeiing. 

Wie de tekst nooit heeft gehoord, dwaalt. 

Wie de tekst bezit, hem in de grondtaal lezen kan en hem toch achterhoudt, dwaalt niet. 

Het woord leugenaar valt dus niet op de gelovige die zoekt met hetgeen hem is aangereikt. Het valt op wie hem minder aanreikte dan hij bezat. 

Wie het gebod laat vallen en de liefde vasthoudt, houdt een leeg woord in zijn hand. Wie zegt te blijven en niet wandelt zoals Hij gewandeld heeft, blijft nergens. 

Maar wie bewaakt, wordt bewaakt. Wie aankleeft, wordt vastgehouden. Wie de geboden hoedt als een wachter bij nacht, ontdekt bij het aanbreken van de dag dat er allang een Wachter over hem stond, tot in duizend geslachten.