Wandelen in Zijn wegen

De Statenvertaling gebruikt door de hele Schrift heen één woord voor de omgang van de mens met de Eeuwige, en dat woord is wandelen. In het Nederlands van vandaag klinkt dat vriendelijk en vrijblijvend, want wij denken aan een rustige tocht door het bos. In het Nederlands van 1637 betekende het iets anders, namelijk zich gedragen, zijn leven inrichten, zich in het openbaar op een bepaalde wijze bewegen. De vertalers kozen dat woord juist omdat het beide betekenissen droeg, de letterlijke gang en de levenswandel. 

Het Hebreeuwse woord daarachter is הָלַךְ (halach), met als grondbetekenis gaan, zich verplaatsen, een afstand afleggen. Het beschrijft geen stemming, geen innerlijke gerichtheid, geen overtuiging die iemand koestert zonder dat een ander er ooit iets van merkt. Uit deze wortel is later het naamwoord הֲלָכָה (halacha) gevormd, wat letterlijk de gang betekent, de wijze waarop men wandelt. 

Het tweede woord is דֶּרֶךְ (derech), dat de Statenvertaling weergeeft met weg. Het komt van de wortel דָּרַךְ (darach), wat betreden betekent, met de voet neerkomen op iets. Derech is dus geen richting in het algemeen en geen levensbeschouwing, maar een baan die door het lopen zelf is ontstaan en die er al ligt voordat de wandelaar eraan begint.  

Wanneer er staat בִּדְרָכָיו (bidrachav), in Zijn wegen, dan zegt de grondtekst dus dat de mens zijn voeten zet op een baan die door de Eeuwige is aangelegd en waarvan de Eeuwige het verloop bepaalt. De vraag is nooit geweest of de mens een wandel heeft. Iedere mens wandelt. De vraag is uitsluitend wiens baan hij volgt. 

De wandel bestond al voor de Sinaï 

De inzettingen bestonden al lang voordat zij op de Sinaï werden uitgesproken, en het werkwoord wandelen staat er van meet af aan bij. 

Genesis 26:5 zegt namelijk dat Avraham (Abraham) de stem van de Eeuwige gehoorzaam was en Zijn bevel, Zijn geboden, Zijn inzettingen en Zijn wetten onderhield, terwijl de Sinaï nog eeuwen ver weg lag. Dezelfde vier woorden die Deuteronomium later opsomt, staan hier dus al bij een man die geen enkele steen met schrift bezat. 
 
Genesis 26:5   
Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. 

De eerste keer dat we in de Thora lezen over een man die met God wandelt, is Chanoch, de man in de Nederlandse vertalingen als Henoch beschreven wordt.  

Genesis 5:22-24 

22  En Chanoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 23  Zo waren al de dagen van Chanoch driehonderd vijf en zestig jaren. 24  Chanoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg. 

De vorm die hier gebruikt wordt is הִתְהַלֵּךְ (hithallech). Het Hebreeuws kent stamformaties die de betekenis van een werkwoord wijzigen, en deze vorm drukt een voortdurende, heen en weer gaande beweging uit die de handelende persoon zelf betreft. Er staat dus niet dat Chanoch eenmaal een goede keuze maakte, maar dat hij driehonderd jaar lang bleef gaan, en dus niet afweek van zijn weg. De tekst meet zijn wandel af in jaren, niet in ervaringen. 

Genesis 17:1 

Als nu Avram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de Eeuwige aan Avram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 

Avram (Abram) krijgt hier een bevel dat zijn hele verdere leven omvat. Het woord dat met oprecht is vertaald, luidt in de grondtekst תָּמִים (tamim), wat volledig, ongeschonden, zonder ontbrekend deel betekent. Het is hetzelfde woord dat later gebruikt wordt voor een offerdier waaraan niets mankeert. Oprecht is in het Nederlands een woord over eerlijkheid, maar tamim is een woord over volledigheid. De wandel voor het aangezicht van de Almachtige verdraagt dus geen gedeeltelijkheid, want er is geen stuk leven dat buiten de baan valt. 

Deuteronomium 8:
eerst Zijn weg, daarna Zijn wegen
 

Deuteronomium 8:5-6 

5 Bekent dan in uw hart, dat de Eeuwige, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt. 6 En houdt de geboden van de Eeuwige, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen. 

Vier verzen eerder staat hetzelfde woord derech, maar dan in het enkelvoud, waar Moshe (Mozes) het volk laat gedenken aan al den weg dien de Eeuwige hen veertig jaren in de woestijn geleid heeft. In vers 6 staat het meervoud דְּרָכָיו (derachav), Zijn wegen. Eerst beschrijft het hoofdstuk dus hoe Hij hen droeg, daarna bepaalt het hoe zij zelf gaan. Dat de tekst werkelijk over lopen spreekt, blijkt uit vers 4, waar uitdrukkelijk staat dat hun voet in veertig jaar niet gezwollen is. 

De volgorde binnen vers 6 is beslissend; houdt de geboden, om in Zijn wegen te wandelen. Het houden van de geboden is niet het gevolg van de wandel, het is het middel waardoor die wandel tot stand komt. Wie de geboden wegneemt, neemt de baan zelf weg. 

Blijft er dan nog iets over om in te wandelen? 

Nee. 

Er blijft niets over. 

Het werkwoord vrezen aan het slot luidt יָרֵא (yare), wat ontzag hebben betekent, iets zwaar laten wegen. Het Nederlandse vrezen doet aan angst denken, maar de grondtekst beschrijft de houding van iemand die de Allerhoogste serieus genoeg neemt, om zijn eigen koers erop aan te passen. 

De tekst omschrijft zelf wat Zijn wegen zijn 

Deuteronomium 10:12-13 

12 Nu dan, Israël! wat eist de Eeuwige, uw God van u, dan den Eeuwige, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den Eeuwige, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel; 13 Om te houden de geboden van de Eeuwige, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede. 

Deuteronomium 10:17-19 

17 Want de Eeuwige, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; 18 Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve. 19 Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. 

De uitdrukking geen aangezicht aannemen luidt in het Hebreeuws לֹא יִשָּׂא פָנִים (lo yissa panim), wat letterlijk geen gezicht optillen betekent. Het is het beeld van een rechter die de gebogen man voor zich niet omhoog helpt omdat hij hem kent of omdat hij iets van hem ontvangen heeft. De Eeuwige doet dat niet, dus doet de wandelaar dat evenmin. Hij doet het recht van de wees en de weduwe, dus doet de wandelaar dat ook. Hij geeft de vreemdeling brood en kleding, dus heeft de wandelaar de vreemdeling lief. 

Zo geeft het hoofdstuk zijn eigen uitdrukking een inhoud. In Zijn wegen wandelen betekent doen wat Hij doet, op de wijze die Hij heeft voorgeschreven.  

Drie werkwoorden die één handeling vormen 

Deuteronomium 11:22-23 

22 Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, den Eeuwige, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende; 23 Zo zal de Eeuwige al deze volken van voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan gij zijt. 

Drie werkwoorden staan hier naast elkaar. Het eerste is אָהַב (ahav), liefhebben. Het tweede is halach, wandelen. Het derde is דָּבַק (davak), aanhangen, en dat woord betekent letterlijk kleven, vastzitten, niet los te maken zijn. Het is hetzelfde woord dat in Genesis 2:24 de man aan zijn vrouw verbindt. Het Nederlandse aanhangen klinkt als het onderschrijven van een leer, maar davak beschrijft twee dingen die aan elkaar vastzitten. 

De Kerk heeft eeuwenlang geleerd dat liefde het gebod vervangt. De tekst leert dat liefde, wandel en aanhangen geen drie mogelijkheden zijn waaruit men er één kiest, maar drie beschrijvingen van hetzelfde naarstiglijk houden van al deze geboden. Het woordje al staat er tweemaal. Al deze geboden. Al Zijn wegen. Wie er slechts uit haalt wat hem zelf het beste bevalt, wandelt niet in Zijn wegen. Hij breekt de baan open, legt zijn eigen pad aan en hangt daar de Naam van de Eeuwige aan. 

Vier woorden die in de vertaling hun beeld verliezen 

Deuteronomium 26:17-18 

17 Heden hebt gij den Eeuwige doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat gij zult wandelen in Zijn wegen, en houden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat gij Zijner stem zult gehoorzaam zijn. 18 En de Eeuwige heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat gij al Zijn geboden zult houden; 

Hier worden de bestanddelen van de weg met name genoemd, en juist hier verliest de Nederlandse lezer het meeste. De vertaling geeft abstracte woorden waar de grondtekst zeer concrete beelden heeft. 

Het eerste is חֻקִּים (chukkim), inzettingen, van de wortel חָקַק (chakak), wat inkerven betekent, graveren, in steen of hout snijden. Een chok is dus een verordening die is ingegrift, en het beeld zegt dat zij niet is bedoeld om weer weggeveegd te worden. 

Het tweede is מִצְוֹת (mitsvot), geboden, van צָוָה (tsavah), opdracht geven. Een mitsvah is een rechtstreekse opdracht van iemand die het gezag bezit om te bevelen en niet een advies dat men naar eigen inzicht kan wegen. 

Het derde is מִשְׁפָּטִים (mishpatim), rechten, van שָׁפַט (shafat), rechtspreken. Een mishpat is een rechterlijke uitspraak die vervolgens als maatstaf geldt voor alle volgende gevallen. 

Het vierde komt in 1 Koningen 2:3 erbij en luidt עֵדוֹת (edot), getuigenissen, van עוּד (ud), getuigen. Een edut is een teken dat ergens van getuigt, iets dat blijvend verklaart wat er gebeurd is en wie de Gever is. 

De Kerk heeft van deze vier soorten een sorteermachine gemaakt en het is de moeite waard om te zien waar de scheidslijn precies werd getrokken. De mishpatim mochten grotendeels blijven, want een verbod op moord, diefstal en meineed viel samen met wat de samenleving toch al redelijk vond. De chukkim moesten weg, want de sabbat, de spijswetten en de feesten van Leviticus 23 lieten zich niet uit de rede afleiden en vielen bovendien op tussen de volken. De mitsvot werden verdeeld naar smaak, waarbij wat aansprak zedelijk werd genoemd en wat ongelegen kwam ceremonieel. 

Die driedeling in zedelijk, ceremonieel en burgerlijk komt in de grondtekst nergens voor. Zij is later bedacht om te kunnen scheiden wat de tekst in één adem noemt. Deuteronomium 26 zet de soorten juist naast elkaar binnen dezelfde zin en verbindt er één uitkomst aan, namelijk een volk des eigendoms. Het resultaat van de sortering werd vervolgens geen verminkte weg genoemd, maar vrijheid. 

Deuteronomium 28:9-10 

9De Eeuwige zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden van de Eeuwige, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen. 10 En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam van de Eeuwige over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. 

Het woordje wanneer is hier het scharnier en beide voorwaarden zijn van buitenaf waarneembaar. Vers 10 maakt die zichtbaarheid uitdrukkelijk, want alle volken der aarde zullen zien. Een wandel die niemand kan opmerken is in dit gedeelte niet aan de orde. 

Deuteronomium 30:15-16 

15 Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven, en het goede, en den dood, en het kwade. 16 Want ik gebiede u heden den Eeuwige, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, opdat gij levet en vermenigvuldiget, en de Eeuwige, uw God, u zegene in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven. 

Het liefhebben staat ook hier niet tegenover het houden van de geboden, want het staat ervóór als onderdeel van hetzelfde bevel. De richting was bovendien al vastgelegd zonder enige speelruimte, want Deuteronomium 5:32-33 verbiedt afwijken ter rechterhand en ter linkerhand en gebiedt te gaan in al den weg dien de Eeuwige gebiedt. Wie een pad aanlegt naast de baan, wijkt af, ook wanneer hij zijn afwijking vroomheid noemt. 

Deuteronomium 5:32-33 

32  Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de Eeuwige, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand. 33  In al den weg, dien de Eeuwige, uw God, u gebiedt, zult gij gaan; opdat gij leeft, en dat het u welga, en gij de dagen verlengt in het land, dat gij erven zult. 

De weg als voorwaarde voor de troon 

1 Koningen 2:3-4 

3 En neem waar de wacht van de Eeuwige, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de Thora van Moshe; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult; 4 Opdat de Eeuwige bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israëls. 

De uitdrukking neem waar de wacht luidt in de grondtekst שָׁמַרְתָּ אֶת מִשְׁמֶרֶת (shamarta et mishmeret), waarbij het werkwoord en het naamwoord van dezelfde wortel שָׁמַר (shamar) komen, wat bewaken betekent, in bewaring houden. Er staat dus letterlijk bewaak de bewaking en het beeld is dat van een wachtpost waarop iemand gezet is en die hij niet mag verlaten. Het Nederlandse waarnemen doet vandaag denken aan opmerken en dat is juist de betekenis die er niet staat. 

Daarna volgt de zinsnede waarop de latere kerkgeschiedenis stukloopt, namelijk gelijk geschreven is in de Thora van Moshe. De weg is niet gevoelsmatig te vinden, want hij is opgeschreven en de vindplaats wordt erbij genoemd. 

1 Koningen 3:14 

En zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen. 

Hetzelfde boek noteert later dat Shlomo (Salomo) zich voor andere goden neerboog en niet gewandeld heeft in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen. Hij ontving de baan schriftelijk, met de voorwaarde erbij en verliet hem alsnog. Dat ene feit ontmantelt de gedachte dat kennis van de weg hetzelfde zou zijn als het gaan ervan. 

De profeten wijzen op paden die er nog liggen 

Jeremia 6:16-17 

16 Zo zegt de Eeuwige: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. 17 Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. 

De oude paden waren niet verdwenen, want zij lagen er zichtbaar en begaanbaar. De weigering betrof niet de beschikbaarheid van de baan, maar de bereidheid van de voet. Wie eeuwen later verklaart dat de weg is opgeheven heeft dus niets nieuws bedacht, want hij heeft de zin uit vers 16 alleen van een leerstelling voorzien. 

Micha 6:8 

Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de Eeuwige van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? 

Er staat in de grondtekst הַצְנֵעַ לֶכֶת (hatsnea lechet), wat ingetogen gaan betekent, met opnieuw het werkwoord uit Genesis 5. Tussen Chanoch en Micha is er aan dat werkwoord niets veranderd. 

De Septuaginta legt de brug 

Rond de derde eeuw voor de gewone jaartelling werd de Thora in Alexandrië in het Grieks vertaald. Die vertaling, de Septuaginta, is de tekst waaruit de schrijvers van het Nieuwe Testament citeren en zij levert de woordenschat waarin zij denken. Zes woorden dragen de brug tussen Deuteronomium en het Nieuwe Testament en wie die zes herkent, ziet de verbinding vanzelf. 

Het werkwoord halach werd weergegeven met πορεύομαι (poreuomai), gaan, en met περιπατέω (peripateō), rondlopen. Het woord derech werd ὁδός (hodos), weg. De chukkim werden δικαιώματα (dikaiōmata), de mitsvot werden ἐντολαί (entolai) en de mishpatim werden κρίσεις (kriseis). Van belang is dat peripateō in het gewone Grieks niets anders betekent dan lopen. De zedelijke betekenis van levenswandel kreeg het woord pas doordat de Septuaginta er het Hebreeuwse halach mee weergaf. Wanneer het Nieuwe Testament over wandelen spreekt, spreekt het dus geen Griekse gedachte uit in Griekse klanken, maar een Hebreeuwse. 

Deuteronomium 8:6 verbindt in de Septuaginta het bewaren van de entolai met poreuomai in de hodoi. Deuteronomium 10:12 voegt daar het woord πᾶς (pas) aan toe, al, zodat er gaan in al Zijn wegen staat. Deuteronomium 26:17 zet de reeks compleet, want daar staan achter elkaar poreuomai, hodos, dikaiōmata en kriseis, gevolgd door het gehoorzamen aan de φωνή (phōnē), de stem. 

Dat is de woordvoorraad. Wie haar in het Nieuwe Testament terugvindt, vindt Deuteronomium terug. 

Lukas 1:5-6 

5 In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester, met name Zecharyah (Zacharias), van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aharon (Aäron), en haar naam Elisheva (Elisabet). 6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten van de Eeuwige, onberispelijk. 

Lukas schrijft hier poreuomai voor het wandelen, entolai voor de geboden en dikaiōmata voor de rechten. Dat zijn drie van de zes brugwoorden in één enkele zin, aangevuld met het pas uit Deuteronomium 10:12, en zij komen alle uit dezelfde bron. Het oordeel dat Lukas eraan verbindt luidt ἄμεμπτος (amemptos), onberispelijk, letterlijk iemand op wie niets valt aan te merken. 

Wie het evangelie opslaat, leest dus in het eerste hoofdstuk een lofprijzing op precies datgene wat de Kerk later verouderd zou verklaren. 

De belofte van Ezechiël loopt langs dezelfde woorden. 

Ezechiël 36:26-27 

26 En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. 27 En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. 

De Septuaginta gebruikt in vers 27 opnieuw poreuomai voor het wandelen en dikaiōmata voor de inzettingen. Het nieuwe hart krijgt daar de dikaiōmata als bestemming en Lukas laat vervolgens twee mensen zien die in dikaiōmata gaan. De profetie en het evangelie gebruiken hetzelfde woord voor hetzelfde doel. Wie deze verzen aanhaalt om de inzettingen weg te nemen, haalt de bestemming weg en houdt het vervoermiddel over. 

Ook het aanhangen uit Deuteronomium 11:22 loopt door. De Septuaginta vertaalt davak daar met προσκολλάω (proskollaō), aanklampen, vastklinken, en dat is hetzelfde werkwoord waarmee Genesis 2:24 de man aan zijn vrouw hecht. Wanneer Yeshua (Jezus) in Mattheüs 19:5 dat vers uit de Thora aanhaalt, gebruikt Hij precies dat woord. Het beeld is in beide gevallen een verbond dat niet los te wrikken valt en Deuteronomium plaatst dat beeld midden tussen liefhebben en wandelen. 

De stem uit Deuteronomium 26:17 keert eveneens terug. Het gehoorzamen aan de stem (phōnē) klinkt door in Johannes 10:27, waar de schapen de stem (phōnē) van de Herder horen en Hem vervolgens volgen. Horen en gaan blijven bij elkaar, precies zoals in Deuteronomium. 

Het woord hodos is ten slotte de naam geworden van de eerste gemeenschap zelf. Sha’ul (Paulus) verklaart in Handelingen 24:14 dat hij naar de hodos de God der vaderen dient en hij voegt eraan toe dat hij alles gelooft wat in de Thora en de Profeten geschreven staat. Het werkwoord dat hij daar voor dienen kiest is λατρεύω (latreuō), hetzelfde woord dat de Septuaginta in Deuteronomium 10:12 gebruikt voor het dienen met het ganse hart. De aanklager noemde het een sekte. De aangeklaagde noemde het de weg en wees de plaats aan waar die weg beschreven staat. 

Mattheüs 5:17-20 

17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Thora of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de Thora voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. 

Het woord dat Yeshua in vers 19 voor geboden gebruikt is entolai, hetzelfde woord waarmee de Septuaginta de mitsvot van Deuteronomium 8:6 weergeeft en waarmee Lukas het echtpaar Zecharyah en Elisheva beschrijft. Yeshua zet in dat vers het doen en het leren naast elkaar en dat is precies de wandel, want doen is het gaan zelf en leren is het aanwijzen van de baan aan anderen. Wie predikt dat de weg is opgeheven ontbindt niet slechts een gebod. Hij haalt de baan weg waarop de gelovige geacht wordt te lopen, laat hem staan waar hij staat en noemt dat stilstaan vervolgens genade. 

1 Johannes 2:3-6 

3 En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren. 4 Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet; 5 Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn. 6 Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft. 

Het werkwoord in vers 6 is peripateō en Yochanan (Johannes) koppelt het rechtstreeks aan het bewaren van de entolai in vers 3. In zijn tweede brief zet hij die twee woorden zelfs binnen één zin, want daar staat dat de liefde hierin bestaat dat wij wandelen naar Zijn geboden, met de toevoeging dat dit het gebod is dat men van den beginne gehoord heeft. Van den beginne, en niet sinds kort. 

Tot slot 

Van Genesis tot de laatste brieven staat er één werkwoord, in twee talen en dat werkwoord vraagt voeten. De baan is ingekerfd, uitgesproken, opgeschreven, vertaald en aangewezen. Zij is nooit ingetrokken en nooit verlegd. Wie haar verlaat en zijn eigen pad daarna de goede weg noemt, verandert niets aan de weg (derech) zelf. Hij verandert alleen de richting waarin zijn voeten staan. 

Wandelen is geen mening. 

Wandelen is een spoor. 

De weg lag gegrift, de voet werd verlegd 

Wie ontbindt wat er staat, heeft geen oren voor hetgeen de Eeuwige heeft gezegd 
 
Deuteronomium 10:12-13 

12 Nu dan, Israël! wat eist de Eeuwige, uw God van u, dan den Eeuwige, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den Eeuwige, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel; 13 Om te houden de geboden van de Eeuwige, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.