De letter doodt, de Geest maakt levend,
wat 2 Korinthe 3:6-11 werkelijk zegt
In veel christelijke kringen wordt 2 Korinthe 3:6-11 vaak aangevoerd om te bewijzen dat de Thora heeft afgedaan. De letter doodt, de Geest maakt levend is verheven tot een christelijke dooddoener. Losgemaakt van zijn omgeving wordt die zin een leus die alles kan dragen.
De vraag van deze studie is daarom kort.
Wat wordt er te niet gedaan in 2 Korinthe 3:6-11?
Sha'ul (Paulus) verdedigt zijn bediening tegenover mensen met aanbevelingsbrieven. Hij vergelijkt daarin twee bedieningen. Hij vergelijkt geen twee wetten. Wij beginnen bij de berg waar het licht op het gezicht van Moshe (Mozes) viel.
Hij draagt de tafelen en er is iets aan hem veranderd zonder dat hij het zelf weet. Wat het volk ziet, is niet de Thora. Het ziet het gezicht van de man die haar draagt. Juist aan dat onderscheid hangt de hele redenering van Sha'ul.
Exodus 34:29-30
29 En het geschiedde, toen Moshe van den berg Sinaï afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wist Moshe niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak. 30 Als nu Ahäron en al de kinderen Israëls Moshe aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
Eeuwen later kondigt de Eeuwige door Yirmeyahu (Jeremia) een nieuw verbond aan. Sha'ul noemt zichzelf dienaar van dat verbond. Wie wil weten wat hij daadwerkelijk bedient, leest dus hoe de profeet dat verbond omschrijft.
Jeremia 31:31-33
31 Ziet, de dagen komen, spreekt de Eeuwige, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; 32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Eeuwige; 33 Maar dit is het verbond, dat Ik na deze dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Eeuwige: Ik zal Mijn Thora in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Met deze kennis vanuit de Thora en de Profeten, gaan we kijken wat er in de tweede Korinthe-brief beschreven staat. Sha'ul zet hier twee bedieningen naast elkaar in woorden die in het Nederlands veel zwaarder klinken dan in het Grieks. Let vooral op waarvan gezegd wordt dat het verdwijnt. Het onderwerp staat er namelijk bij.
2 Korinthe 3:6-11
6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 7 En indien de bediening des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Moshe niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, hetwelk te niet gedaan zou worden, 8 Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn? 9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.
Deze verzen vormen een vergelijking en geen afschaffing. Sha'ul redeneert telkens volgens hetzelfde patroon: indien het eerste heerlijkheid bezat, hoeveel te meer bezit het tweede die dan. Hij erkent dus uitdrukkelijk dat de eerste bediening werkelijke luister droeg. Wie iets afschaft, prijst het niet eerst.
De bediening des doods is niet de Thora zelf. Het is de dienst waarin zij werd uitgereikt. Sha'ul beschrijft in 2 Korinthe 3:7 wat er bij de berg gebeurde. Letters in steen. Een volk dat terugdeinsde. Een gezicht dat te fel oplichtte om naar te kijken. De dood viel er niet omdat het onderwijs verkeerd was. De dood viel er, omdat het volk overtrad, want een maatstaf legt bloot wat er niet aan voldoet en het vonnis treft dan de overtreder en niet het gebod. De profeet zegt dat zelf in Jeremia 31:32, waar staat dat zij het verbond vernietigd hebben. Wat ontbrak was dus nooit de eis. Wat ontbrak was het hart dat eraan wilde voldoen, en juist dat belooft Jeremia 31:33.
Let vervolgens nauwkeurig op het woordje hetwelk aan het slot van 2 Korinthe 3:7. Het sluit niet aan bij de stenen tafelen en evenmin bij de geboden die daarop stonden. Het sluit aan bij het laatste dat genoemd wordt, de heerlijkheid zijns aangezichts. Wat te niet gedaan zou worden is dus de glans op het gezicht van Moshe. Verderop in deze studie bevestigt de Griekse grondtekst dat door de vorm van het woord zelf.
In 2 Korinthe 3:9 staat verdoemenis tegenover rechtvaardigheid. Dat zijn twee uitkomsten van twee bedieningen en geen twee wetten. In 2 Korinthe 3:10 valt het woord verheerlijkte. Dat is dezelfde heerlijkheid als in 2 Korinthe 3:7, waar zij uitdrukkelijk aan het aangezicht van Moshe wordt verbonden en Exodus 34:29-30 laat zien waaruit zij bestond. Wat werkelijk glans bezat, bezit in vergelijking geen glans meer. Niet omdat die glans vals was maar omdat er een grotere naast is komen te staan. Zo verbleekt een lamp wanneer de zon opkomt. De lamp gaat niet stuk. Zij wordt overstraald. En in 2 Korinthe 3:11 staat het dovende tegenover het blijvende.
Lees deze zes verzen nu nog eenmaal door en zoek het woord wet, oftewel de Thora.
Het staat er niet.
De verantwoording van de grondtekstmethode
Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon en functie. De vorm in het vers wijkt daardoor af van de vorm in het woordenboek. Hieronder staat eerst de vorm zoals zij in de tekst voorkomt en daarna de wortel waaruit zij gevormd is.
De Hebreeuwse grondtekst
Jeremia 31:33
33 Maar dit is het verbond, dat Ik na deze dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Eeuwige: Ik zal Mijn wet (תּוֹרָתִי, torati) in hun binnenste (בְּקִרְבָּם, beqirbam) geven, en zal die in hun hart (לִבָּם, libbam) schrijven (אֶכְתֲּבֶנָּה, ektavennah); en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Het woord wet is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord תּוֹרָתִי (torati), Mijn Thora, gevormd uit de wortel תּוֹרָה (Thora) die teruggaat op יָרָה (yarah) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: onderwijzing, richting wijzen, een pijl werpen naar het doel. De Eeuwige belooft geen andere inhoud. Hij belooft een andere plaats voor dezelfde inhoud.
Het woord schrijven is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord אֶכְתֲּבֶנָּה (ektavennah), ik zal haar schrijven, gevormd uit de wortel כָּתַב (katav) en kan ook wel vertaald worden als griffen, opschrijven, vastleggen. Het nieuwe verbond schaft het schrijven niet af. Het verplaatst de drager waarop geschreven wordt.
Het woord binnenste is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord בְּקִרְבָּם (beqirbam), gevormd uit de wortel קֶרֶב (qerev) en laat zich ook graag vertalen als het midden, het inwendige, de kern van iemand. Daarnaast staat לִבָּם (libbam), hun hart, uit de wortel לֵב (lev), de zetel van wil en overleg. Niet het onderwijs verandert. De bewaarplaats verandert.
De Griekse grondtekst
2 Korinthe 3:6-11
6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter (γράμματος, grammatos), maar des Geestes (πνεύματος, pneumatos); want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 7 En indien de bediening (διακονία, diakonia) des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Moshe niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid (δόξαν, doxan) zijns aangezichts, hetwelk te niet gedaan zou worden (καταργουμένην, katargoumenēn), 8 Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn? 9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft (μένον, menon), in heerlijkheid.
Het woord letter is vertaald vanuit het Griekse woord γράμματος (grammatos), gevormd uit γράμμα (gramma) dat teruggaat op γράφω (graphō) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: schriftteken, geschreven letter, oorkonde, document. Het duidt het teken op de drager aan en niet het onderwijs dat erin staat. Sha'ul had het woord kunnen kiezen dat de Septuaginta vast voor de Thora gebruikt. Hij doet het niet. In heel 2 Korinthe 3 komt dat woord geen enkele maal voor.
Het woord Geest is vertaald vanuit het Griekse woord πνεύματος (pneumatos), gevormd uit πνεῦμα (pneuma) en kan ook wel vertaald worden als adem, wind, geest. De tegenstelling loopt tussen het teken op de steen en de adem die leven geeft. Zij loopt niet tussen twee wetten.
Het woord bediening is vertaald vanuit het Griekse woord διακονία (diakonia) en laat zich ook graag vertalen als dienst, ambt, bediening aan tafel. Het gaat over een taak van mensen. Een bediening kan aflopen. Het onderwijs zelf dat zij overbracht loopt daarmee niet af.
Het woord heerlijkheid is vertaald vanuit het Griekse woord δόξαν (doxan), uit δόξα (doxa) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: glans, aanzien, gewicht, luister. Het is een lichtverschijnsel en geen wetboek. Een glans kan doven zonder dat één gebod verdwijnt.
De woorden te niet gedaan zou worden zijn vertaald vanuit het Griekse woord καταργουμένην (katargoumenēn), een lijdend deelwoord van καταργέω (katargeō) dat is gevormd uit κατά (kata) en ἀργός (argos) met de betekenis werkeloos en kan ook wel vertaald worden als buiten werking stellen, stilleggen, onbenut laten. Dit deelwoord staat in het vrouwelijk enkelvoud en sluit daarmee aan bij het woord dat er vlak voor staat, de heerlijkheid van zijn aangezicht. Wat wegvalt, is de glans op een gezicht. Diezelfde schrijver vraagt in Romeinen 3:31 of het geloof de Thora buiten werking stelt en verwerpt die gedachte met de scherpste ontkenning die het Grieks kent.
Het woord blijft is vertaald vanuit het Griekse woord μένον (menon), een deelwoord van μένω (menō) en laat zich ook graag vertalen als blijven, standhouden, voortduren. In 2 Korinthe 3:11 staat niet de Thora tegenover het evangelie. Daar staat het dovende tegenover het blijvende.
De Septuaginta en het Nieuwe Testament
Jeremia 31:33, in de Septuaginta genummerd als Jeremia 38:33
33 Maar dit is het verbond (διαθήκη, diathēkē), dat Ik na deze dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Eeuwige: Ik zal Mijn Thora (νόμους, nomous) in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven (γράψω, grapsō); en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
2 Korinthe 3:6
6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments (καινῆς διαθήκης, kainēs diathēkēs), niet der letter (γράμματος, grammatos), maar des Geestes (πνεύματος, pneumatos); want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
Het verband is een zinspeling en geen woordelijk citaat. Sha'ul neemt de zin van de profeet niet geheel over. Hij neemt wel het woord over waarmee de Septuaginta de belofte aanduidt en de vindplaats waaruit de koppeling met καινή (kainē) blijkt, is Jeremia 31:33 (38:31 in de Septuaginta). Waar de Statenvertaling Testament schrijft, staat in het Grieks het woord voor verbond. Wie zich dienaar van dat verbond noemt, bedient wat daar beloofd wordt. Zo spreekt Sha'ul dus over het nieuwe verbond in 2 Korinthe 3:6, hetgeen duidelijk behelst dat de Thora in het hart geschreven wordt en dus nooit kan verwijzen naar iets dat "afgedaan heeft".
Beloofd wordt νόμους μου (nomous mou), Mijn Thora, gelegd in het denken en geschreven op het hart. De Septuaginta hanteert voor het onderwijs van de Eeuwige vast het woord νόμος (nomos). Sha'ul gebruikt dat woord hier niet. Hij gebruikt γράμμα (gramma), het schriftteken. Sterker nog, het werkwoord waarmee de profeet het nieuwe verbond omschrijft, is γράψω (grapsō), ik zal schrijven, uit dezelfde wortel als γράμμα (gramma). Het nieuwe verbond is zelf een schrijven.
Wat doodde, was dus nooit de inhoud. Wat doodde, was de plaats: onderwijs op steen, buiten de mens, zonder de adem die het doet leven.
Wat verdwijnt en wat blijft
De glans verdwijnt van het gezicht van een man die van een berg afkwam. Er blijft een bediening van de Geest. Er wordt een verbond bediend waarvan de profeet zegt dat het de Thora in het hart van de mens legt.
Staat er dan dat de Thora te niet gedaan wordt?
Volstrekt niet!
De Kerk heeft van dit hoofdstuk een vrijbrief gemaakt om de Thora met de voeten te treden. Het heeft deze vrijbrief eeuwenlang uitgedeeld aan mensen die de grondtekst nooit onder ogen kregen. Wie leest wat hem in de kanttekening werd aangereikt, dwaalt uit onwetendheid en hem treft geen verwijt. De instelling die de Griekse tekst in huis had, die wist dat het deelwoord aansluit bij de glans en niet bij het gebod. Dit heidense instituut dat de dovende luister op een gezicht, toch verwisselde met het blijvende onderwijs van de Eeuwige, handelt tegen beter weten in. Zij heeft niet slecht gelezen. Zij heeft goed gelezen en argeloze mensen doelbewust misleid.
De glans op zijn gezicht verdween met de tijd,
Zijn onderwijs in het hart blijft in eeuwigheid.