De werken der wet. Galaten 2 in context
Voordat we de stukken uit de Galatenbrief gaan observeren gaan we eerst hoogte nemen van de tijdlijn, aangezien deze zeer belangrijk is voor de context.
De gemeenten van Galatië ontstaan op de eerste reis, die in Handelingen 13:14 tot Handelingen 14:23 beschreven wordt. Sha'ul (Paulus) bezoekt dat gebied daarna opnieuw in Handelingen 16:6 en in Handelingen 18:23.
Wie de brief aan de Galaten dus vroeg dateert plaatst hem vóór de vergadering van Handelingen 15, wie hem laat dateert plaatst hem na Handelingen 18:23. Hoe men ook telt, de brief is dan allang geschreven en allang gelezen door de Galaten, voordat de volgende situatie jaren later plaatsvindt:
Want de tempelgang van Handelingen 21:17-26 valt op de laatste reis naar Jeruzalem, die begint in Handelingen 20:16 en uitloopt op de gevangenschap van Handelingen 21:33. Die reis komt ná de datering van de Galatenbrief. De volgorde staat vast en is nooit in geschil geweest. Alleen het aantal jaren is een punt van discussie.
Die reis is bovendien zelf al een handeling die zich volledig conformeert aan de Thora, want Sha'ul haast zich om op de Shavuot (Pinksterdag) in Jeruzalem te zijn, het feest dat wordt voorgeschreven in Leviticus 23:15-21 en Deuteronomium 16:16.
In de tempel neemt hij vier mannen tot zich die onder een gelofte staan, hij reinigt zich met hen en hij betaalt hun offers, precies zoals Numeri 6:13-20 dat voorschrijft tot en met het scheren van het hoofd. En het is niet de eerste keer, want in Handelingen 18:18 laat hij zijn eigen hoofd scheren vanwege een gelofte, en in Handelingen 20:6 houdt hij de dagen der ongehevelde broden te Filippi.
Daarna getuigt Sha'ul tegenover Felix in Handelingen 24:14, tegenover Festus in Handelingen 25:8 en evenzo tegenover de Joden te Rome in Handelingen 28:17, van hetgeen hij in de tempel deed. Dit was geen eenmalig gebaar, maar de lijn van heel zijn toewijding in de loop der jaren.
Galaten 2:11-14 en de "werken der wet"
Er is in de brieven van Sha'ul (Paulus) weinig te vinden dat zoveel gewicht heeft moeten dragen als deze drie woorden. Hele geloofsstelsels zijn erop gebouwd. Toch is zij geen leerstelling over verlossing. Zij staat midden in een ruzie aan tafel, in een havenstad, tussen twee mannen die elkaar kenden. Wie wil weten wat Sha'ul bedoelde, moet eerst weten waarover de discussie aan die tafel ging.
De Thora onderwijst met eenvoud en helderheid. Er is dan ook geen verschil over hoe men omgaat met wie niet uit Israël geboren is. De vreemdeling die meeleeft in het land krijgt geen aparte tafel, maar dezelfde plaats als de geboren Israëliet. Hier zal het gedrag in Antiochië straks tegen worden afgewogen.
Leviticus 19:33-34
33 En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet verdrukken. 34 De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland; Ik ben de Eeuwige, uw God!
Even helder spreekt Moshe (Mozes) aan het einde van zijn onderwijzing over wat het onderhouden van de geboden Israël oplevert. Deze woorden beloven precies datgene wat de Kerk later uitsluitend buiten de geboden om durfde te zoeken.
Deuteronomium 6:24-25
24 En de Eeuwige gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vrezen de Eeuwige, onzen God, ons voor eeuwig ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is. 25 En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van de Eeuwige, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
Naast de belofte uit Deuteronomium, bestaat er een gebed van David waarin hij niet om beoordeling vraagt maar om ontferming. Hij weet dat hij het pleit verliest zodra de Allerhoogste hem naar zijn daden afrekent en hij vraagt daarom of het gericht aan hem voorbij mag gaan. Het tweede vers is de zin waar het in deze studie om draait, want Sha'ul haalt hem aan in Galaten 2:16, als slot van zijn betoog tegen Cefas. Wie die herkomst niet ziet, leest daar een uitspraak over de geboden, terwijl er een gebed staat over het gericht.
Psalm 143:1-2
1 Een psalm van David. O Eeuwige! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid. 2 En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
Zo komen wij aan in Antiochië, de stad waar Joden en gelovigen uit de volken voor het eerst in één gemeente samenleefden. Cefas (Petrus) at daar aan dezelfde tafel als zij, totdat er bezoek kwam van de gemeente in Jeruzalem. Toen stond hij op en ging apart zitten, en de andere Joodse gelovigen volgden hem daarin, inclusief Barnabas. Nergens verbiedt de Thora het delen van een maaltijd met wie niet uit Israël geboren is, want zij plaatst de vreemdeling juist aan dezelfde tafel. Cefas week dus niet voor een gebod maar voor het oordeel van mensen, aangezien hij leefde conform de Joodse tradities. En daar sprak Sha'ul hem in het openbaar op aan. Hij wees hem hardgrondig terecht omdat Cefas nog steeds handelde vanuit menselijke tradities in plaats van het gebod.
Galaten 2:11-14
11 En toen Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was. 12 Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren. 13 En ook de andere Joden veinsden met hem; alzo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hun veinzing. 14 Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven?
Direct hierop volgt de passage waarop de Kerk haar leer over de afschaffing van de Thora heeft gebaseerd. In de grondtekst staat er geen onderbreking tussen wat Sha'ul tegen Cefas zei en wat hierop volgt. Hij is nog altijd aan het woord, nog altijd tegen dezelfde man en nog altijd over dezelfde maaltijd. De verzen zijn later van hun aanleiding losgeknipt en worden onderwezen als een tijdloze leerstelling over "wet en genade", terwijl zij het slot vormen van een terechtwijzing over een verschoven stoel.
Sha'ul wees Cefas terecht omdat hij het vertikte een vreemdeling als een broeder te accepteren. Hij was geïndoctrineerd door menselijke tradities, die nergens in de Thora beschreven staan.
Galaten 2:15-21
15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen; 16 Doch wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der Thora, maar door het geloof van Yeshua HaMashiach, zo hebben ook wij in HaMashiach Yeshua geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van HaMashiach, en niet uit de werken der Thora; daarom dat uit de werken der Thora geen vlees zal gerechtvaardigd worden. 17 Maar indien wij, die in HaMashiach zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelven zondaars bevonden worden, is dan HaMashiach een dienaar der zonde? Dat zij verre. 18 Want indien ik, hetgeen ik afgebroken heb, datzelve wederom opbouw, zo stel ik mijzelven tot een overtreder. 19 Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou. 20 Ik ben met HaMashiach gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar HaMashiach leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. 21 Ik doe de genade Gods niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de Thora is, zo is dan HaMashiach tevergeefs gestorven.
Verantwoording van de grondtekstmethode
Het Hebreeuws en het Grieks buigen hun woorden naar tijd, persoon en functie. Daardoor ziet het woord in het vers er anders uit dan het woord in een woordenboek. Hieronder staat telkens eerst de vorm zoals die werkelijk in de tekst voorkomt en daarna de wortel waaruit die gegroeid is.
De Hebreeuwse grondtekst
Leviticus 19:34
De vreemdeling (הַגֵּר, ha-ger), die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling (כְּאֶזְרָח, ke-ezrach) van ulieden.
Vreemdeling is vertaald vanuit הַגֵּר (ha-ger), van de wortel גֵּר (ger), en kan ook wel vertaald worden als bijwoner, ingezetene, meelevende buitenstaander. Inboorling komt van כְּאֶזְרָח (ke-ezrach), van אֶזְרָח (ezrach), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: geborene van het land, geworteld gewas, wie van huis uit thuishoort. De Thora zet de גֵּר (ger) niet naast de gemeenschap maar erin.
Deuteronomium 6:25
En het zal ons gerechtigheid (וּצְדָקָה, u-tsedaqah) zijn, als wij zullen waarnemen (נִשְׁמֹר, nishmor) te doen (לַעֲשׂוֹת, la'asot) al deze geboden.
Gerechtigheid is vertaald vanuit וּצְדָקָה (u-tsedaqah), van צְדָקָה (tsedaqah), en laat zich ook graag vertalen als rechtdoen, trouw binnen een verhouding. Waarnemen komt van נִשְׁמֹר (nishmor), van שָׁמַר (shamar), en betekent bewaken, hoeden, in bewaring houden. Doen staat er als לַעֲשׂוֹת (la'asot), van עָשָׂה (asah), en draagt de betekenissen verrichten, uitvoeren, tot stand brengen. Uit die wortel komt מַעֲשֶׂה (ma'aseh), werk.
Psalm 143:2
Niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (יִצְדַּק, yitsdaq).
Rechtvaardig zijn is vertaald vanuit יִצְדַּק (yitsdaq), van צָדַק (tsadaq), en kan ook wel vertaald worden als in zijn recht staan, het pleit winnen. Dit is een gedeelde wortel met Deuteronomium 6:25, want beide komen uit צדק. De Thora belooft צְדָקָה (tsedaqah) als levenswandel binnen het verbond, David erkent dat niemand het pleit wint in het gericht. Sha'ul houdt beide vast.
De Griekse grondtekst
Mattheüs 5:17
Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Thora of de Profeten te ontbinden (καταλῦσαι, katalysai).
Ontbinden is vertaald vanuit καταλῦσαι (katalysai), van καταλύω (katalyō), en draagt de betekenissen neerhalen, afbreken, buiten werking stellen. Onthoud dat werkwoord.
Galaten 2:12
Maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af (ἀφώριζεν, aphōrizen).
Scheidde zichzelven af komt van ἀφώριζεν (aphōrizen), van ἀφορίζω (aphorizō), en laat zich ook graag vertalen als afgrenzen, een streep zetten, buitensluiten. Daarin zit ὅρος (horos), grens. Cefas trok een grens. De Thora had haar daar nergens neergelegd.
Galaten 2:16
Dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken (ἔργων, ergōn) der Thora (νόμου, nomou).
Werken is vertaald vanuit ἔργων (ergōn), van ἔργον (ergon), en betekent werk, daad, verrichting. De sleutel ligt in wat er niet staat. De vaste term voor de geboden is ἐντολαί (entolai), en die gebruikt Sha'ul hier niet. Hij schrijft ἔργα νόμου (erga nomou), een uitdrukking die in die eeuw aanwijsbaar bestond als aanduiding van een omstreden pakket voorschriften waarmee een groep zich van anderen afscheidde, blijkens het geschrift uit Qumran dat naar zijn openingswoorden מקצת מעשי התורה (miqtsat ma'asei ha-tora) heet, enige werken van de Thora.
Galaten 2:18
Indien ik, hetgeen ik afgebroken heb (κατέλυσα, katelysa), datzelve wederom opbouw, zo stel ik mijzelven tot een overtreder (παραβάτην, parabatēn).
Afgebroken heb komt van κατέλυσα (katelysa), van καταλύω (katalyō), hetzelfde werkwoord dat Yeshua van Zichzelf afwijst. Had Sha'ul de Thora afgebroken, dan viel hij onder het oordeel van zijn eigen Meester. Overtreder is vertaald vanuit παραβάτην (parabatēn), van παραβάτης (parabatēs), en draagt de betekenissen wie over de streep stapt, wetsovertreder, grensschender.
Kan iemand over een streep stappen die er niet meer ligt?
Nee.
Afgebroken werd de muur van ἀφορίζω (aphorizō), niet het gebod van de Allerhoogste.
De Septuaginta
De slotzin van Galaten 2:16 is geen eigen vondst. Sha'ul haalt David aan in de bewoording van de Griekse Psalmen. Psalm 143 is in de Septuaginta genummerd als Psalm 142.
Psalm 143:2
Niemand, die leeft (πᾶς ζῶν, pas zōn), zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (οὐ δικαιωθήσεται, ou dikaiōthēsetai).
Galaten 2:16
Daarom dat uit de werken der Thora (ἐξ ἔργων νόμου, ex ergōn nomou) geen vlees (πᾶσα σάρξ, pasa sarx) zal gerechtvaardigd worden (οὐ δικαιωθήσεται, ou dikaiōthēsetai).
De bewoording loopt gedeeltelijk gelijk en wijkt gedeeltelijk af. Woordelijk gelijk is οὐ δικαιωθήσεται (ou dikaiōthēsetai), tot in de vorm toe. Twee dingen wijken af en die twee dragen het betoog. David schrijft πᾶς ζῶν (pas zōn), al wat leeft, waar Sha'ul πᾶσα σάρξ (pasa sarx) maakt, alle vlees, hetgeen wijst naar het vlees waarin de besnijdenis wordt aangebracht en dus naar de groep die Cefas vreesde. En ἐξ ἔργων νόμου (ex ergōn nomou) staat bij David helemaal niet. Dat is de toevoeging van Sha'ul aan een zin die het zonder hem ook al deed. De psalm zei al dat niemand het pleit wint. Sha'ul voegt toe waarmee men het in Antiochië probeerde te winnen.
Tot slot
De Kerk heeft van een tafelruzie een testament gemaakt. Zij nam de zin die Sha'ul sprak tegen een man die zijn stoel verschoof en verklaarde daarmee de inzettingen vervallen die voor eeuwig ten goede waren gegeven. Zij liet Deuteronomium 6:25 ongelezen en weigerde Leviticus 19:34 te observeren. Vervolgens wordt Galaten 2:16 op een selectieve wijze geciteerd zonder de vier verzen die eraan voorafgaan. Dat is geen vergissing van een enkele voorganger, maar een leerstelsel dat eeuwenlang is doorgegeven door instellingen die zelf de grondtekst konden lezen en haar toch achterhielden.
Zij hebben zich vergist in de zwaarte van hun eigen woord. Toen zij verklaarden dat Sha'ul de Thora zou ontbinden, legden zij hem het werkwoord in de mond waarvan Yeshua op de berg uitdrukkelijk zei dat Hij daarvoor niet gekomen was.
Mattheüs 5:17-19
17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Thora of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de Thora voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.
Wie de leer aanhangt dat de Thora is afgeschaft, maakt Sha'ul daarmee tot een leugenaar die deed wat Yeshua weigerde te doen. En wie de scheiding tussen de geborene en de vreemdeling weer optrekt, herbouwt precies datgene wat Sha'ul in Antiochië heeft neergehaald, en wordt daarmee de overtreder waarover Galaten 2:18 spreekt. Cefas verschoof die dag zijn stoel uit vrees voor mensen. De Kerk heeft er echter een leerstelling van gemaakt en de tafel van de Allerhoogste zelf verzet.
Wie oprecht zoekt met wat hem is aangereikt, treft geen blaam. De aanklacht ligt bij wie het hem heeft aangereikt.
De grondtekst spreekt zacht als avondlicht op oude stenen en toch valt haar vonnis met de zwaarte van een molensteen: de werken die Sha'ul afwees waren nooit de geboden van de Eeuwige, maar de grenspalen van mensen die bang waren voor elkaar.
Niet de Thora werd te Antiochië afgebroken,
maar de muur die mensen hadden opgetrokken.