De Wet en de Profeten:
het enige gezag van Yeshua en Sha'ul
Eén vraag beslist alles. Waaruit bewees Yeshua (Jezus) Zijn zaak en waaruit bewezen Zijn discipelen de hunne? In de vijf passages hieronder wordt nooit een andere bron opengeslagen dan de Thora en de Profeten. Dit is ook logisch aangezien het Nieuwe Testament nog in ontwikkeling was en dus niet kon dienen als bron onderwijs.
Yeshua opent Zijn onderwijs op de berg. Voordat Hij één gebod uitlegt, zet Hij vast waar Hij Zelf onder staat en hoe lang dat geldt.
Mattheüs 5:17-20
17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Thora of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Thora voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
Aan het einde van Zijn leven wordt Yeshua gevangen genomen. Hij wijst dan niet op macht, maar op een geschreven bron.
Mattheüs 26:54-56
54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet? 55 Ter zelfder ure sprak Yeshua tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen; 56 Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der Profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.
Wat de Meester deed, deden Zijn leerlingen na. In de synagoge van Thessalonica is dit de vaste gewoonte van Sha’ul (Paulus).
Handelingen 17:2
En Sha’ul, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften
Aan het slot van Handelingen zit Sha’ul in Rome, aan het einde van zijn loopbaan. Een hele dag lang legt hij het Koninkrijk uit.
Handelingen 28:23-24
23 En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Yeshua, beide uit de Thora van Moshe (Mozes) en de Profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe. 24 En sommigen geloofden wel, hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.
In zijn laatste brief herinnert Sha’ul zijn leerling aan wat deze als kind al kende.
2 Timotheüs 3:15-16
15 En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in HaMashiach Yeshua is. 16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is.
Yeshua zet in Mattheüs 5:17-20 twee grenzen. De eerste is de tijd. De Thora blijft staan zolang hemel en aarde staan. De tweede is de omvang. Niet het geheel blijft staan omdat het geheel groot is, maar het kleinste teken blijft staan omdat het klein is. Wie dat kleinste gebod losmaakt en anderen zo onderwijst, wordt niet buitengesloten, maar hij wordt de minste genoemd. Zijn rang hangt af van zijn omgang met de geboden. Daarmee ligt de maatstaf vast voor alles wat Hij daarna leert.
Die maatstaf blijft overeind tot in het uur waarin Hij wordt weggevoerd. Yeshua verklaart Zijn eigen lijden niet uit een ingeving en niet uit een overlevering, maar uit wat geschreven staat. In Mattheüs 26:54-56 wordt tweemaal naar de Schriften verwezen en de tweede maal worden zij uitdrukkelijk de Schriften der Profeten genoemd. Dat is de tweede helft van dezelfde naam die Hij in Mattheüs 5:17 gebruikte.
Zijn leerlingen nemen die werkwijze over. In Handelingen 17:2 gaat Sha’ul de synagoge binnen zoals hij gewend was, drie sabbatten lang. De tekst noemt de bron waaruit hij redeneert en dat zijn de Hebreeuwse Schriften. Hij vraagt zijn hoorders niet om hem op zijn woord te geloven. Hij legt hun de boeken voor die zij zelf bezitten en dus ook beschouwden als enige gezaghebbende leer.
Aan het slot van Handelingen is er niets veranderd. In Handelingen 28:23-24 spreekt Sha’ul een hele dag, van de vroege ochtend tot de avond, over Yeshua. De tekst noemt precies twee bronnen waaruit hij dat doet. De Thora van Moshe en de Profeten. Wie het Koninkrijk wil uitleggen, opent die twee. Er wordt niets aan toegevoegd en er gaat niets af.
Dan volgt de sluitsteen. In 2 Timotheüs 3:15-16 herinnert Sha’ul zijn leerling eerst aan de heilige Schriften die deze van kinds af aan kende, en pas daarna schrijft hij dat al de Schrift van God ingegeven is. De tweede zin gaat over de boeken van de eerste zin. Sha’ul spreekt hier een oordeel uit over wat een jongen in Lystre las, en niet over een verzameling die hij zelf nog aan het schrijven was.
Zo sluit de keten. De Meester bewijst uit de Thora en de Profeten. De leerling bewijst uit de Thora en de Profeten. De laatste genoemde brief noemt heilig wat een kind al gelezen had. Van de berg tot aan de gevangenschap in Rome wordt er één bibliotheek geopend, en nergens een tweede.
Tot slot
Wie is dan verantwoordelijk voor de gedachte dat de Thora haar gezag verloor?
Niet de gelovige die doet wat hem is aangereikt. Hij dwaalt uit onwetendheid en voor die dwaling kent de Schrift een weg terug. Verantwoordelijk is de instelling die deze teksten kent, ze in haar eigen vertaling heeft laten drukken, ze jaar na jaar voorleest en desondanks blijft leren dat het oude is afgeschaft. Dat is geen onwetendheid, dat is handelen tegen beter weten in.
Vanuit deze wetenschap gaan we bekijken hoe diverse stukken uit het Nieuwe Testament in elkaar steken, welke doorgaans nog wel eens voor verwarring zorgen.
Hoe complex zaken soms ook lijken te zijn, de Messias en Zijn discipelen hielden zich aan de eenvoud van de Thora en de Profeten.