Efeze 2:15
Is de Thora afgeschaft?
Efeze 2:15 hoort tot de handvol verzen die men los uit hun verband opdient wanneer men wil aantonen dat de Thora zou hebben afgedaan. Wie het vers alleen te lezen krijgt, krijgt begrijpelijkerwijs de indruk dat de Thora met haar geboden de scheidsmuur was die tussen Jood en heiden stond en dat die muur nu is opgeruimd. Die indruk ontstaat niet door kwade wil van de lezer. Zij ontstaat doordat men hem het vers overhandigt zonder de zin die eraan voorafgaat en zonder de brief waarin hij staat.
Efeze 2:14-16
14 Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, 15 Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de Thora der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende; 16 En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende.
Drie vragen beslissen hier alles. Wie was de schrijver, wat leerde hij elders en wat stond er in die dagen werkelijk overeind dat mensen van elkaar scheidde?
Sha'ul onderwijst de Thora in dezelfde brief
Sha'ul (Paulus) laat zich in de brief aan de Efeziërs niet kennen als een man die de geboden ontmantelt. Vier hoofdstukken verder onderwijst hij de kinderen aan de hand van een gebod dat rechtstreeks uit de tien woorden komt, en hij benoemt uitdrukkelijk dat het een gebod is.
Efeze 6:1-3
1 Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht. 2 Eert uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte), 3 Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.
Veel lezers vatten dit op als een vriendelijke huisregel. Het is echter een aanhaling, en de vindplaats is aanwijsbaar.
Exodus 20:12
Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Eeuwige uw God geeft.
Sha'ul zegt hier niet dat kinderen aardig moeten zijn voor hun ouders omdat die hen hebben grootgebracht. Hij wijst op het vijfde woord van de Allerhoogste en op de belofte die de Eeuwige eraan verbond. Dezelfde beweging maakt hij bij het achtste woord, waar hij de dief niet toespreekt met een levensadvies maar met een gebod.
Efeze 4:28
Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft.
Een schrijver die in hoofdstuk vier en hoofdstuk zes de geboden van de Thora aanvoert als geldend recht, kan in hoofdstuk twee onmogelijk hebben geschreven dat diezelfde Thora is opgeheven. Zijn eigen pen weerspreekt de uitleg die men hem heden toeschrijft, en aan de gemeente te Rome zegt hij het met zoveel woorden.
Romeinen 3:31
Doen wij dan de Thora te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de Thora.
Het woord te niet doen is vertaald vanuit het Griekse καταργοῦμεν (katargoumen), gevormd uit de wortel καταργέω (katargeō), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: buiten werking stellen, krachteloos maken, opheffen. Precies die wortel staat in Efeze 2:15, waar de Statenvertaling haar weergeeft met te niet gemaakt, in de vorm καταργήσας (katargēsas). Sha'ul gebruikt in Romeinen 3:31 dus hetzelfde werkwoord om met kracht te ontkennen wat men hem in Efeze 2:15 in de mond legt. Dit betreft een aantoonbaar gedeelde wortel tussen beide brieven en geen thematische gelijkenis.
De Thora kent de scheidsmuur niet
Wie de scheiding tussen Israëliet en vreemdeling in de Thora zoekt, vindt haar niet. Hij vindt het tegendeel.
Numeri 15:15-16
15 Gij, gemeente! het zij ulieden en den vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, enerlei inzetting; ter eeuwige inzetting bij uw geslachten, gelijk gijlieden, alzo zal de vreemdeling voor het aangezicht van de Eeuwige zijn. 16 Enerlei Thora en enerlei recht zal ulieden zijn, en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert.
Het woord vreemdeling is vertaald vanuit het Hebreeuwse גֵּר (ger) en laat zich ook graag vertalen als bijwoner, wie zich aansluit, wie onder u woont. In vers 16 staat bovendien תּוֹרָה אַחַת וּמִשְׁפָּט אֶחָד (Thora achat oemishpat echad), één Thora en één recht. De Allerhoogste zelf verbindt de eenheid van Israëliet en vreemdeling niet aan de afschaffing van de Thora maar aan haar geldigheid. De Thora is het middel van die eenheid en nooit de oorzaak van de scheiding.
De muur die er werkelijk stond
In de dagen van Sha'ul stond er een muur die deze naam letterlijk verdiende. Het tempelcomplex bestond uit oplopende ruimten, waarbij de buitenste hof voor iedereen toegankelijk was. Tussen die buitenste hof en de binnenste voorhoven liep een stenen balustrade, die in de Misjna סוֹרֵג (soreg) heet en die de scheiding markeerde tussen de plaats waar de vreemdeling mocht komen en de plaats waar hij niet mocht komen.
Langs die balustrade stonden op regelmatige afstanden opschriften. Flavius Josephus beschrijft haar tweemaal, in De Joodse Oorlog 5.193-194 en in De Oude Geschiedenis van de Joden 15.417. Hij vermeldt daarbij dat de opschriften in het Grieks en in het Latijn waren gesteld en dat zij iedere vreemdeling op straffe des doods verboden verder te gaan. Het ging dus niet om een aanbeveling of een gewoonte, doch om een grens waarachter de doodstraf was aangekondigd.
In 1871 werd bij opgravingen in Jeruzalem een van die opschriften teruggevonden, volledig bewaard en in het Grieks gesteld. In 1935 kwam een tweede exemplaar aan het licht, ditmaal in fragmenten. Daarmee berust deze muur niet langer op het getuigenis van Josephus alleen, want de steen zelf is bewaard gebleven en de tekst erop is te lezen.
Dat is de muur die Sha'ul voor ogen had toen hij schreef over μεσότοιχον τοῦ φραγμοῦ (mesotoichon tou phragmou), wat zich ook graag laat vertalen als de tussenmuur van de omheining. Zijn lezers hadden haar gezien of ervan gehoord, en het opschrift erop droeg geen enkele handtekening van de Eeuwige.
Moshe (Mozes) heeft die afscheiding nooit voorgeschreven. De Thora kent wel een grens rondom de tabernakel, doch die sluit iedere niet-Leviet buiten, ook de geboren Israëliet, en zij zegt niets over afkomst. De tempelmuur van de eerste eeuw sloot uitsluitend de niet-Jood buiten. De Thora scheidt naar ambt, de overlevering scheidde naar volk.
Hoe reëel die muur was voor de lezers van deze brief, blijkt uit de aanklacht die Sha'ul zelf ondervond.
Handelingen 21:28-29
28 Roepende: Gij Israelietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de Thora, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd. 29 Want zij hadden te voren Trofimus, den Efezier, met hem in de stad gezien, welken zij meenden, dat Paulus in den tempel gebracht had.
De tekst is hier zorgvuldig. Er staat niet dat Sha'ul iemand over die grens heeft gebracht, doch dat men het vermoedde omdat men hen samen in de stad had gezien. Bij dat vermoeden bleef het, en het volstond om een oploop te veroorzaken. De man om wie het ging, kwam uit Efeze. De muur uit Efeze 2:14 was voor de gemeente daar geen beeldspraak maar een herinnering waaraan een naam vastzat.
Twee woorden die alles beslissen
Wat Yeshua (Jezus) in zijn vlees buiten werking stelde, laat Sha'ul in Efeze 2:15 niet onbepaald staan. Hij voegt er twee woorden aan toe, ἐν δόγμασιν (en dogmasin), in verordeningen bestaande. Aan die toevoeging hangt de gehele uitleg van dat vers. Wie haar overslaat, leest een afschaffing van de Thora. Wie haar meeleest, leest een afbakening, want opgeheven is dan niet het gebod maar de gedaante die mensen eraan hadden gegeven. Welke van beide juist is, wordt niet beslist door de kerkgeschiedenis die erop volgde, maar door de Septuaginta die Sha'ul en zijn lezers voor zich hadden.
De Septuaginta
De Septuaginta is de Griekse vertaling van het Oude Testament die in de eerste eeuw in gebruik was. Zij bepaalde de betekenis die de woorden van het Nieuwe Testament voor hun lezers droegen. Efeze 2:15 brengt drie Griekse woorden bijeen, en de Septuaginta laat zien dat die drie niet uit dezelfde wereld komen.
Voor de geboden van de Eeuwige hanteren de vertalers van de Septuaginta een vaste woordkeuze, die in de kern van de Thora zichtbaar wordt.
Deuteronomium 6:1
Dit zijn dan de geboden (ἐντολαὶ entolai), de inzettingen (δικαιώματα dikaiōmata) en de rechten (κρίματα krimata), die de Eeuwige, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat gij ze doet in het land, naar hetwelk gij heentrekt, om dat erfelijk te bezitten.
Efeze 2:15
Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt (καταργήσας katargēsas), namelijk de Thora (wet) (νόμον nomon) der geboden (ἐντολῶν entolōn) in (ἐν en) inzettingen (δόγμασιν dogmasin) bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende.
Het woord inzettingen in Deuteronomium 6:1 is in de Septuaginta δικαιώματα (dikaiōmata) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: rechtsbepaling, wat als recht is vastgesteld. Het woord geboden is daar ἐντολαὶ (entolai), dezelfde wortel die Sha'ul gebruikt, en het woord wet is νόμος (nomos), de vaste weergave van תּוֹרָה (Thora). Twee van de drie woorden uit Efeze 2:15 zijn dus rechtstreeks de Septuaginta-woorden voor de Thora en haar geboden. Dit betreft een gedeelde wortel en geen citaat, want Sha'ul haalt Deuteronomium 6:1 niet aan maar put uit hetzelfde vaste vocabulaire.
Het derde woord ontbreekt daar volstrekt. δόγμα (dogma) staat in de Septuaginta nergens voor een gebod dat de Eeuwige gaf. Het staat er voor het besluit van een heidense vorst.
Daniël 2:13
De wet (δόγμα dogma) dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniel en zijn metgezellen, om gedood te worden.
Daniël 3:10
Gij, o koning! hebt een bevel (δόγμα dogma) gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid des hoorns, der fluit, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden.
Op beide plaatsen staat hetzelfde Griekse woord. In Daniël 2:13 is het het bevel om de wijzen om te brengen en in Daniël 3:10 is het het bevel om voor het gouden beeld neer te vallen. In Esther 3:9 staat het werkwoord δογματισάτω (dogmatisatō), gevormd uit de wortel δογματίζω (dogmatizō), voor het besluit van Ahasveros om de Joden uit te roeien, en het kan ook wel vertaald worden als bij verordening vaststellen. Op deze drie plaatsen keert het besluit zich zelfs rechtstreeks tegen wie de Allerhoogste dient.
Sha'ul schrijft in Efeze 2:15 τὸν νόμον τῶν ἐντολῶν ἐν δόγμασιν (ton nomon tōn entolōn en dogmasin). Hij plaatst het woord dat de Septuaginta voor mensenbesluiten reserveert achter de twee woorden die zij voor de Thora gebruikt, en hij verbindt ze met ἐν (en), dat zich ook graag laat vertalen als in, bestaande in, in de vorm van. Had hij bedoeld dat beide hetzelfde zijn, dan had hij ze eenvoudig naast elkaar kunnen noemen. In plaats daarvan noemt hij de laatste als de gedaante waarin de eerste was gegoten.
Dat is dus geen gelijkteken maar een beperking. Wat viel, viel niet omdat het van de Eeuwige kwam, maar omdat het daar niet vandaan kwam. Het gebod bleef staan waar het altijd stond, en wat wegviel was de mal waarin men het had gedwongen. Niet het gebod verdween onder de handen van Yeshua, doch de gedaante waarin mensen het hadden geperst.
Wat God gebood staat vast als steen, wat mensen toevoegden viel uiteen.
Wat Yeshua zelf verklaarde
Mattheüs 5:17-20
17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Thora of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de Thora voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
Yeshua verklaart dat Hij niet kwam om de Thora te ontbinden. Sha'ul houdt staande dat hij haar bevestigt. En in vers 20 wijst Yeshua op de gerechtigheid van de Schriftgeleerden en de Farizeën als de maatstaf die tekortschiet, precies de leerstelling waaruit de omheining van Efeze 2:15 was opgetrokken.
Staan Mattheüs 5:17-20 en Efeze 2:15 dan tegenover elkaar?
Nee.
Zij zeggen hetzelfde. Yeshua brak de omheining af die mensen om de Thora hadden gebouwd, want die omheining hield de vreemdeling weg van het woord dat hem uitdrukkelijk uitnodigde. Wat Hij te niet maakte, was nooit de stem van de Allerhoogste. Het was het bordje dat men ervoor had gehangen.
Tot slot
Wie dit vers gebruikt om de Thora af te schaffen, doet met de brief van Sha'ul precies wat de bouwers van de tempelmuur met de Thora deden. Hij trekt een grens waar de Eeuwige er geen trok, en hij noemt zijn eigen besluit een gebod van God.
De gelovige die dit zo geleerd heeft, treft geen blaam. Hij heeft ontvangen wat hem werd aangereikt en hij heeft de omringende verzen nooit te zien gekregen. De Thora zelf onderscheidt tussen dwaling uit onwetendheid en handelen tegen beter weten in, en dat onderscheid geldt hier onverkort.
De aanklacht richt zich op wie het wel weet. Op de leer die Efeze 6:2 en Efeze 4:28 uit dezelfde brief weglaat wanneer zij Efeze 2:15 voordraagt. Op het onderwijs dat Romeinen 3:31 kent en verzwijgt, terwijl daar hetzelfde Griekse werkwoord staat. Op de traditie die δόγμασιν (dogmasin) leest en er de Thora van maakt, terwijl de Septuaginta dat woord bewaart voor Nebukadnezar en voor Ahasveros, en het nooit in de mond van de Eeuwige legt.
Men leest daar het woord van een koning die de knieval eiste, en men noemt het de wet van God.
De muur is gevallen. De Thora staat nog overeind. En wie dat omdraait, breekt af wat de Eeuwige bouwde en bouwt op wat Yeshua brak.