Galaten 3:
de tuchtmeester
die het kind naar de leraar bracht 
 

Er is één woord in de brief aan de Galaten waarop een volledig leerstelsel is gebouwd. Dat woord is tuchtmeester. Wie het vers leest zoals het van de kansel klinkt, hoort dat de Thora een tijdelijke opvoeder was die zijn dienst heeft volbracht en mag vertrekken. 

Wie het woord zelf opzoekt, ontdekt iets anders. Een tuchtmeester was in de wereld van Sha'ul (Paulus) geen leraar, geen wetgever en geen rechter. Hij was de begeleider die het kind veilig bij de leraar afleverde. En wie ooit heeft nagedacht over wat dat betekent, weet dat het einde van de begeleiding niet het einde van het onderwijs is, maar het begin ervan. 

Sha'ul heeft het beeld van de begeleider niet zelf bedacht. Eeuwen eerder had de Eeuwige Zijn volk al opgevoed en die opvoeding in de Thora bij name genoemd. 

Moshe (Mozes) spreekt in het veertigste jaar na de uittocht, aan de overzijde van de Jordaan, tot het volk dat op het punt staat het land binnen te gaan. Hij legt de geboden niet neer als een last, maar als iets dat van geslacht op geslacht moet worden doorgegeven. De opvoeding van kinderen wordt hier rechtstreeks aan de woorden van de Eeuwige verbonden. 

Deuteronomium 6:6-7 

6 En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn. 7 En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat. 

Twee hoofdstukken verder komt Moshe terug op hetzelfde thema, maar nu vanuit het gezichtspunt van de Eeuwige zelf. Het volk heeft veertig jaar in de woestijn doorgebracht en Moshe verklaart wat daar werkelijk gebeurde. Het was geen willekeurige beproeving. Het was opvoeding, en het beeld dat hij daarvoor kiest is het beeld van een vader met zijn zoon. 

Deuteronomium 8:5-6 

5 Bekent dan in uw hart, dat de Eeuwige, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt. 6 En houdt de geboden van de Eeuwige, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen. 

Eeuwen later neemt Shlomo (Salomo) datzelfde beeld op in het boek Spreuken. Hij richt zich tot een zoon die de opvoeding als hinderlijk zou kunnen ervaren en verklaart waar die pijn vandaan komt. Wat als zwaar wordt gevoeld, blijkt uit liefde geboren te zijn. 

Spreuken 3:11-12 

11 Mijn zoon! verwerp de tucht van de Eeuwige niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; 12 Want de Eeuwige kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft. 

Dezelfde Sha'ul die in de Galatenbrief over de tuchtmeester schreef, heeft zich elders uitdrukkelijk uitgesproken over de vraag of het geloof in Yeshua de Thora buiten werking stelt. Die uitspraak staat in de brief aan de Romeinen en zij laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Wie Galaten 3 uitlegt, is aan deze woorden van dezelfde schrijver gebonden. 

Romeinen 3:28-31 

28 Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der Thora. 29 Is God een God der Joden alleen? en is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen; 30 Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. 31 Doen wij dan de Thora te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de Thora. 

In Galatië waren heidenen tot geloof gekomen zonder besneden te zijn. Daarna kwamen er valse leraren, die hun voorhielden dat zij pas werkelijk hun zaligheid zouden verdienen zodra zij zich lieten besnijden. Sha'ul bestrijdt niet de besnijdenis maar de absurde eis, die nergens in de heilige Thora beschreven staat. Dit is namelijk wat van een handeling de toegangspoort tot de rechtvaardiging maakt. Precies daar valt het woord tuchtmeester. 

Een tuchtmeester was in de Romeinse huishouding een gehuurde knecht. Hij bracht het kind naar de leraar, haalde het weer op en hield toezicht op zijn gedrag, maar onderwijzen deed hij niet. Sha'ul zegt daarmee dat de Thora de mens naar Yeshua (Jezus) leidt, doordat zij de zonde blootlegt en door haar offerdienst laat zien dat schuld alleen door verzoening wordt weggenomen. Wie eenmaal bij Yeshua is aangekomen, hoeft niet nog eens naar Hem toe gebracht te worden. Alleen dat leiden houdt op. De Thora zelf blijft staan, want zij blijft omschrijven wat zonde is en zij blijft zegenen wie haar doet. 

Galaten 3:19-25 

19 Waartoe is dan de Thora? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des Middelaars. 20 En de Middelaar is niet Middelaar van een, maar God is een. 21 Is dan de Thora tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want indien er een Thora gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de Thora zijn. 22 Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Yeshua HaMashiach aan de gelovigen zou gegeven worden. 23 Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de Thora in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. 24 Zo dan, de Thora is onze tuchtmeester geweest tot HaMashiach, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. 25 Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. 

Verantwoording van de grondtekstmethode 

Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon, getal en functie. Een werkwoord verschijnt in de tekst daarom zelden in de gedaante waarin het woordenboek het opneemt. Wie een vorm uit het vers naast de wortel legt waaruit zij is gevormd, ziet twee verschillende woordbeelden en zou kunnen menen dat er iets niet klopt. Daarom wordt hieronder telkens eerst de vorm genoemd zoals zij werkelijk in de tekst staat en daarna de wortel waaruit zij voortkomt. Het verschil tussen beide is geen fout maar taal. 

De Hebreeuwse grondtekst 

Deuteronomium 6:7 

En gij zult ze uw kinderen inscherpen (וְשִׁנַּנְתָּם‎, weshinnantam), en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat. 

Deuteronomium 8:5 

Bekent dan in uw hart, dat de Eeuwige, uw God, u kastijdt (מְיַסְּרֶךָּ‎, meyasserekka), gelijk als een man zijn zoon kastijdt (יְיַסֵּר‎, yeyasser). 

Spreuken 3:11 

Mijn zoon! verwerp de tucht (מוּסַר‎, musar) van de Eeuwige niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding. 

Het woord inscherpen is vertaald vanuit de Hebreeuwse vorm וְשִׁנַּנְתָּם‎ (weshinnantam), gevormd uit de wortel שנן‎ (shanan), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: scherpen, wetten, aanpunten, herhaaldelijk inprenten. De Thora wordt hier niet aan het kind opgelegd als een juk maar in hem geslepen als een snede. Dat is opvoeding in haar meest lichamelijke vorm. 

De vorm מְיַסְּרֶךָּ‎ (meyasserekka) in Deuteronomium 8:5 komt voort uit de wortel יסר‎ (yasar) en laat zich ook graag vertalen als onderwijzen, terechtwijzen, opvoeden, vormen. Vlak daarvoor staat dezelfde wortel in de vorm יְיַסֵּר‎ (yeyasser), gezegd van de menselijke vader. Moshe zet beide naast elkaar zodat het beeld zich vanzelf verklaart. Wat een vader met zijn zoon doet, doet de Eeuwige met Zijn volk. Kastijding is hier geen vergelding maar vorming. 

Het woord tucht in Spreuken 3:11 is vertaald vanuit het Hebreeuwse מוּסַר‎ (musar), het zelfstandig naamwoord dat uit diezelfde wortel יסר‎ (yasar) is gevormd, en kan ook wel vertaald worden als onderwijzing, vermaning, opvoeding, lering. Hier ligt een gedeelde wortel tussen Deuteronomium 8:5 en Spreuken 3:11, geen citaat en geen zinspeling. De verbinding is lexicaal en zij is aantoonbaar. Van Moshe tot Shlomo loopt één begrip door de Schrift heen. De Eeuwige voedt op. Hij doet dat door Zijn woorden. 

De Griekse grondtekst 

Galaten 3:19-25 

19 Waartoe is dan de Thora? Zij is om der overtredingen (παραβάσεων‎, parabaseōn) wil daarbij gesteld (προσετέθη‎, prosetethē), totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des Middelaars. 20 En de Middelaar is niet Middelaar van een, maar God is een. 21 Is dan de Thora tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want indien er een Thora gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de Thora zijn. 22 Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Yeshua HaMashiach aan de gelovigen zou gegeven worden. 23 Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de Thora in bewaring gesteld (ἐφρουρούμεθα‎, ephrouroumetha), en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. 24 Zo dan, de Thora is onze tuchtmeester (παιδαγωγὸς‎, paidagōgos) geweest (γέγονεν‎, gegonen) tot HaMashiach, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. 25 Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester (παιδαγωγόν‎, paidagōgon). 

De uitdrukking daarbij gesteld is vertaald vanuit de vorm προσετέθη‎ (prosetethē), gevormd uit προστίθημι‎ (prostithēmi), en kan ook wel vertaald worden als erbij gevoegd, toegevoegd, eraan toegedaan. Er staat niet dat de Thora tegenover de belofte werd geplaatst. Er staat dat zij eraan werd toegevoegd. Wie iets toevoegt, neemt het onderliggende niet weg. 

Het woord overtredingen is vertaald vanuit de vorm παραβάσεων‎ (parabaseōn), voortkomend uit παράβασις‎ (parabasis), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: overschrijding, het naast de lijn stappen, grensoverschrijding. Een overtreding vooronderstelt een grens. Wie de grens opheft, heft de overtreding op en daarmee ook het begrip zonde. Sha'ul doet dat nergens. 

De vorm ἐφρουρούμεθα‎ (ephrouroumetha) in vers 23 is gevormd uit φρουρέω‎ (phroureō) en laat zich ook graag vertalen als bewaken, beschermen, als wacht omringen, in verzekerde bewaring houden. Dit is geen woord voor gevangenschap zonder meer. Het is het woord van de wacht die om iets heen staat. Hetzelfde werkwoord gebruikt Sha'ul in Filippensen 4:7 voor de vrede van God die de harten bewaart. Wie in Galaten 3:23 uitsluitend een kerker leest, leest in Filippensen 4:7 dan ook een kerker. 

Dan het beslissende woord. Tuchtmeester is vertaald vanuit παιδαγωγὸς‎ (paidagōgos), samengesteld uit παῖς‎ (pais), kind, en ἄγω‎ (agō), leiden, brengen, voeren, en draagt de volgende betekenissen met zich mee: kindergeleider, begeleider, toezichthouder van een minderjarige. In de Grieks-Romeinse huishouding was dit een knecht in dienst van het huis, die het kind naar de leraar bracht, hem onderweg tegen gevaar en verkeerd gezelschap beschermde en toezicht hield op zijn gedrag. Hij was uitdrukkelijk niet de leraar. Daarvoor bestond een ander woord, namelijk διδάσκαλος‎ (didaskalos). 

Hier valt de hele constructie uit elkaar. Wanneer de begeleider zijn taak heeft volbracht, staat het kind voor de leraar. 

Is de begeleider dan overbodig geworden omdat de lessen zijn afgelast? 

Nee. 

Hij is overbodig geworden omdat het kind is aangekomen waar het onderwijs begint. De tuchtmeester verdwijnt bij de deur van het leslokaal, niet bij de sloop ervan. 

Het werkwoord geweest is vertaald vanuit de vorm γέγονεν‎ (gegonen), gevormd uit γίνομαι‎ (ginomai), en kan ook wel vertaald worden als is geworden, is tot stand gekomen. De vorm is een perfectum en beschrijft in het Grieks een handeling waarvan het gevolg blijft staan. Sha'ul zegt dus niet dat de Thora ooit een begeleider was en dat nu niet meer is. Hij zegt dat zij die rol heeft aangenomen en dat wat daaruit is voortgekomen blijft. 

En let nauwkeurig op vers 25. Er staat niet dat wij niet meer onder de Thora zijn. Er staat οὐκέτι ὑπὸ παιδαγωγόν‎ (ouketi hupo paidagōgon), niet meer onder een begeleider. Wat eindigt is de begeleiding van de onmondige, niet het woord waarnaar hij werd gebracht. 

De Septuaginta 

De Griekse vertaling van het Oude Testament laat zien welk woordveld de Schrift zelf aan de opvoeding door de Eeuwige verbindt. In Deuteronomium 8:5 geeft zij het Hebreeuwse יְיַסֵּר‎ (yeyasser) weer met een vorm van παιδεύω‎ (paideuō). Datzelfde werkwoord keert terug in Spreuken 3, en die passage wordt in het Nieuwe Testament woordelijk overgenomen. 

Spreuken 3:11-12 

11 Mijn zoon! verwerp de tucht (παιδείας‎, paideias) van de Eeuwige (κυρίου‎, kuriou) niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; 12 Want de Eeuwige (κύριος‎, kurios) kastijdt (παιδεύει‎, paideuei) dengene, dien Hij liefheeft (ἀγαπᾷ‎, agapa), ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft. 

Hebreeën 12:5-6 

5 Mijn zoon, acht niet klein de kastijding (παιδείας‎, paideias) van de Eeuwige (κυρίου‎, kuriou), en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt; 6 Want dien de Eeuwige (κύριος‎, kurios) liefheeft (ἀγαπᾷ‎, agapa), kastijdt (παιδεύει‎, paideuei) Hij; en Hij geselt een iegelijken zoon, dien Hij aanneemt. 

De bewoording loopt woordelijk gelijk. Dit is een citaat en geen zinspeling. De schrijver van de Hebreeënbrief neemt de Griekse tekst van Spreuken 3:11-12 over zonder de sleutelwoorden te wijzigen. 

Het woord tucht is in de Septuaginta vertaald met παιδείας‎ (paideias), de tweede naamval van παιδεία‎ (paideia), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: opvoeding, onderwijzing, vorming, tucht. Dit is de Griekse weergave van het Hebreeuwse מוּסַר‎ (musar) uit Spreuken 3:11. Daarmee sluit de keten zich. Wat Moshe in Deuteronomium 8:5 met de wortel יסר‎ (yasar) beschreef, draagt in het Grieks de naam παιδεία‎ (paideia), en onder diezelfde naam komt het in de Hebreeënbrief opnieuw ter tafel. 

De godsnaam verschijnt in beide teksten als κυρίου‎ (kuriou) en κύριος‎ (kurios), de vorm en de wortel κύριος‎ (kurios) waarmee de Septuaginta het Hebreeuwse יהוה‎ weergeeft. Het is dus niet een algemene aanspreektitel die hier wordt aangehaald maar de Naam zelf, doorgegeven uit de Hebreeuwse tekst van Spreuken 3. 

Het werkwoord liefheeft staat in beide teksten in de identieke vorm ἀγαπᾷ‎ (agapa), gevormd uit ἀγαπάω‎ (agapaō), en laat zich ook graag vertalen als liefhebben, genegenheid tonen, een welgevallen hebben in. Naast ἀγαπᾷ‎ (agapa) staat παιδεύει‎ (paideuei) en beide staan in de tegenwoordige tijd. Niet liefhad en opvoedde, maar liefheeft en voedt op. De opvoeding door de Eeuwige is voor de nieuwtestamentische lezer geen afgesloten hoofdstuk maar een lopende werkelijkheid, en zij staat in hetzelfde vers naast Zijn liefde. 

Tussen παιδεύει‎ (paideuei) en παιδαγωγός‎ (paidagōgos) ligt een gedeelde wortel, de stam παιδ-‎ (paid-). Dat is geen citaat en geen zinspeling en het wordt hier ook niet als zodanig gepresenteerd. Wat de gedeelde wortel wel aantoont, is dat de Septuaginta dit woordveld op de onderzochte plaatsen koppelt aan de opvoedende werkzaamheid van de Eeuwige zelf. Sha'ul kiest binnen datzelfde veld een woord dat niet de opvoeder aanduidt maar de begeleider die naar hem toe brengt. Die keuze is het bewijs. Hij had διδάσκαλος‎ (didaskalos) kunnen schrijven en deed het niet. Hij had παιδευτής‎ (paideutēs) kunnen schrijven en deed het niet. Hij schreef het woord voor de knecht bij de deur, παιδαγωγὸς‎ (paidagōgos). 

Tot slot 

Eén woord. Op één woord heeft de Kerk het gebouw gezet waarin geslacht na geslacht is geleerd dat de Thora is afgeschaft. En dat woord betekent niet wat er van gemaakt is. 

De tuchtmeester bracht het kind naar de leraar. Hij hief de leraar niet op. Hij schafte de lessen niet af. Hij was klaar op het moment dat het onderwijs begon. En de leraar bij wiens deur hij het kind afleverde is Yeshua (Jezus), die van de Thora verklaarde dat geen jota en geen tittel zou vervallen. Wie predikt dat het einde van de begeleider het einde van het woord is, schaft het onderwijs af omdat de knecht naar huis mag. 

De Statenvertaling koos het woord tuchtmeester en dat was toen verdedigbaar. Wat de Kerk daarna deed is iets anders. Zij maakte van een knecht een heel tijdperk en van zijn begeleidingstaak een bedeling die zou zijn afgesloten. De Thora is inderdaad de tuchtmeester, dat zegt vers 24 met zoveel woorden. Maar vers 25 zegt niet dat de tuchtmeester ophoudt te bestaan, alleen dat hij ophoudt met afleveren. De Kerk maakte van dat beëindigde werk een beëindigde Thora, en dat staat er nergens. 

De aanklacht raakt niet de gelovige die dit zo heeft gehoord. Hij kreeg de vertaling aangereikt en niet de grondtekst en de Schrift zelf onderscheidt scherp tussen wie dwaalt zonder het te weten en wie handelt tegen beter weten in. De aanklacht raakt wie het lexicon opensloeg, las wat er stond en het vervolgens niet doorgaf. Wie in de studeerkamer weet dat de tuchtmeester de begeleider is en op de kansel de Thora afschaft, weegt zwaarder dan de hoorder die nooit een Griekse letter zag. 

De begeleider heeft zijn werk gedaan. De les is begonnen.