Galaten 3 en de vloek der wet 

Er is nauwelijks een uitdrukking die zoveel schade heeft aangericht als de vloek der wet uit Galaten 3:13. Zij heeft eeuwenlang gediend als bewijs dat de Thora zou zijn afgeschaft, terwijl de Griekse grondtekst iets volstrekt anders zegt. Sha’ul (Paulus) bouwt zijn betoog hier namelijk volledig op teksten uit de Thora zelf, en wie die teksten opslaat ziet dat zij het tegendeel beweren van wat men eruit leest. 

De eerste daarvan komt uit een hoofdstuk waarin de Eeuwige Zijn volk waarschuwt niet te leven naar de gewoonten van Egypte en Kanaän. Moshe (Mozes) moet het onderscheid scherp stellen: er is een manier van leven die de dood in zich draagt en er is een manier van leven die leven voortbrengt. Het slot van dit gedeelte neemt Sha’ul woordelijk over in Galaten 3:12. 

Leviticus 18:3-5 

3 Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischen lands, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken des lands Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen. 4 Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de Eeuwige, uw God! 5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de Eeuwige! 

De tweede tekst staat in de reeks vervloekingen die op de berg Ebal werd uitgeroepen, waarbij het hele volk telkens met amen antwoordde. Iedere vervloeking noemt een concrete overtreding en de laatste vat ze samen. Op deze ene zin bouwt Sha’ul in Galaten 3:10 zijn volledige argument. 

Deuteronomium 27:25-26 

25 Vervloekt zij, die geschenk neemt, om een ziel, het bloed eens onschuldigen, te verslaan! En al het volk zal zeggen: Amen. 26 Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve! En al het volk zal zeggen: Amen. 

Dan de passage zelf. Sha’ul schrijft aan gemeenten in Galatië waar men de gelovigen uit de volken wijsmaakte dat zij pas werkelijk meetelden na een besnijdenisprocedure die hun toegang moest verlenen. Tegen die procedure richt hij zich, en hij doet dat door de Thora open te slaan. 

Galaten 3:10-14 

10 Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. 12 Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. 13 HaMashiach heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. 14 Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in HaMashiach Yeshua (Jezus), en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof. 

Verantwoording van de grondtekstmethode 

Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon, getal en functie in de zin. Daardoor staat een woord in het vers vrijwel nooit in de gedaante waarin het in een woordenboek is opgenomen. Hieronder wordt daarom eerst de vorm getoond zoals die werkelijk in de tekst staat en daarna de wortel waaruit die vorm is opgebouwd. Wie beide naast elkaar ziet, herkent het verschil als grammatica en niet als tegenstrijdigheid. 

De Hebreeuwse grondtekst 

Deuteronomium 27:26 

26 Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen (יָקִים‎, yaqim), doende dezelve! En al het volk zal zeggen: Amen. 

Het woord bevestigen is vertaald vanuit de Hebreeuwse vorm יָקִים‎ (yaqim), gevormd uit de wortel קוּם‎ (qum), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: oprichten, overeind zetten, gestand doen, in stand houden. Daarmee valt de vervloeking op wie de woorden van de Thora als het ware niet overeind zet. Niet op wie ze wel overeind zet en de volmaakte wet van de Eeuwige omarmt. De vloek is voor degenen die Hem de rug toekeren. 

Daarmee staat het hele bouwwerk meteen op zijn kop. Sha’ul haalt in Galaten 3:10 een vloek aan die de Thora uitspreekt over wie haar veracht. Wie diezelfde zin gebruikt om te betogen dat de Thora zelf de vloek is, laat de tekst het omgekeerde zeggen van wat er staat. 

De Griekse grondtekst 

Galaten 3:10-13 

10 Want zovelen als er uit de werken (ἔργων‎, ergōn) der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt (Ἐπικατάρατος‎, Epikataratos) is een iegelijk, die niet blijft (ἐμμένει‎, emmenei) in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 13 HaMashiach heeft ons verlost (ἐξηγόρασεν‎, exēgorasen) van den vloek der wet (κατάρας τοῦ νόμου‎, kataras tou nomou), een vloek geworden zijnde voor ons. 

Het woord blijft is vertaald vanuit ἐμμένει‎ (emmenei), van ἐμμένω‎ (emmenō), en kan ook wel vertaald worden als in iets blijven staan, erbij volharden, zich eraan houden. Het Grieks bevestigt dus wat het Hebreeuws al zei. De vloek treft wie niet volhardt. 

Het woord werken is vertaald vanuit ἔργων‎ (ergōn), van ἔργον‎ (ergon), en laat zich ook graag vertalen als daad, verrichting, prestatie. 

Uit de werken der Thora (wet) zijn beschrijft daarom niet de mens die de Thora doet, maar de mens die zijn positie voor de Eeuwige bouwt op zijn eigen prestatie. En welke prestatie dat in Galatië was, staat elders in het Nieuwe Testament woordelijk opgeschreven. 

Handelingen 15:1-2 

1 En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden. 2 Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. 

Hier ligt de sleutel tot de hele Galatenbrief. Wat in Antiochië werd verkondigd is niet dat men conform de Thora zou leven, maar dat een besnijdenisprocedure de voorwaarde voor zaligheid zou zijn. Dat staat nergens in de Thora. De Thora kent de besnijdenis als teken van het verbond en niet als toegangsbewijs tot behoud, en juist die verdraaiing wordt hier als leer gepresenteerd. Sha’ul verzet zich juist daarom in Galatië tegen precies dezelfde dwaling, tegen mensen die de gelovigen uit de volken wijsmaakten dat zij pas werkelijk meetelden nadat deze menselijke procedure aan hen was voltrokken. 

Daarmee wordt duidelijk wat uit de werken der wet zijn werkelijk betekent. Het gaat om wie zijn plaats voor de Eeuwige ophangt aan één verrichting, en wie dat doet valt met die verrichting. Het gaat niet om wie wandelt in de geboden die de Eeuwige zelf heeft gegeven. Voor wie meer wil lezen over de ontmanteling van deze dwaalleer, verwijzen wij graag naar de studies over Handelingen 15 en Galaten 2 op deze website. 

En dan de uitdrukking waar alles om draait. κατάρας τοῦ νόμου‎ (kataras tou nomou) is in het Grieks een genitief, en die geeft aan van wie de vloek uitgaat en niet waaruit hij bestaat. Het is de vloek die de Thora uitroept over overtreding, precies zoals op de berg Ebal. Het woord verlost bevestigt dat, want het is vertaald vanuit ἐξηγόρασεν‎ (exēgorasen), van ἐξαγοράζω‎ (exagorazō), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: vrijkopen, loskopen uit slavernij, de prijs voldoen. Er wordt iemand losgekocht en niet iets afgeschaft. Wie een gevangene vrijkoopt, betaalt diens straf. Het wetboek waaronder die man vervolgens verder leeft, koopt hij daarmee niet af, want dat blijft na zijn vrijlating gewoon van kracht. Zo werkt het ook hier. Yeshua voldoet het vonnis en niet het onderwijs waarin dat vonnis staat opgeschreven. 

Is de Thora dan afgeschaft in Galaten 3? 

Nee. 

De Septuaginta 

De Septuaginta is de Griekse vertaling van het Oude Testament die ruim twee eeuwen vóór Sha’ul werd vervaardigd, en zij is de tekst waaruit hij citeert. Daarmee is zij een onafhankelijke getuige, want zij is opgeschreven lang voordat er ook maar één christelijk leerstuk bestond. 

Leviticus 18:5 

5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen (ποιήσας‎, poiēsas), die zal door dezelve leven (ζήσεται ἐν αὐτοῖς‎, zēsetai en autois); Ik ben de Eeuwige! 

Galaten 3:12 

12 Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet (ποιήσας‎, poiēsas), zal door dezelve leven (ζήσεται ἐν αὐτοῖς‎, zēsetai en autois). 

Dit is een woordelijk citaat. Sha’ul neemt de bewoording van de Septuaginta ongewijzigd over en bekort haar slechts. Daarmee legt hij zijn lezers een zin voor die uitloopt op ζήσεται‎ (zēsetai), leven. Wie meent dat Sha’ul hier de Thora afwijst, moet volhouden dat hij een belofte van leven aanhaalt om er een systeem van dood mee aan te wijzen. 

Tot slot 

Galaten 3:10-14, eeuwenlang heeft de Kerk aan deze verzen een leer opgehangen die de grondtekst nergens toelaat. Zij heeft de genitief in κατάρας τοῦ νόμου‎ (kataras tou nomou) omgekeerd en van het vonnis de rechter gemaakt. Zij heeft een vervloeking die valt op wie de Thora verwerpt, gebruikt om te betogen dat men haar beter kan laten liggen. En zij heeft een besnijdenisleer die in Handelingen 15 met zoveel woorden wordt weersproken, aan haar gemeenten voorgesteld als de Thora zelf. Dat is geen vertaalkwestie. Dat is de tekst tegen zichzelf laten getuigen, terwijl de tekst voorhanden lag. 

Sha’ul zelf verklaart de Thora heilig, rechtvaardig en goed in Romeinen 7:12, en in Lukas 16:16-17 stelt Yeshua dat er eerder hemel en aarde voorbijgaan dan één tittel van de wet. Wie in Galaten 3 een afschaffing leest, moet dus staande houden dat de kleinste pennenstreek van diezelfde Thora is weggevallen op een middag buiten Jeruzalem, terwijl hemel en aarde er nog altijd onbewogen staan. 

Dat is geen uitleg. 

Dat is een weddenschap tegen de schepping. 

En het is duidelijk wie hier de rekening krijgt: het is niet de onwetende christen die zondag na zondag in alle oprechtheid komt luisteren en nooit iets anders is aangereikt dan wat er van de kansel kwam. De Thora onderscheidt zelf tussen dwaling uit onwetendheid en het bewust handelen tegen beter weten in, en dat onderscheid geldt hier onverkort. 

De rekening gaat naar wie de Septuaginta op zijn plank heeft staan. De afrekening komt over wie volhardt in het domhouden van argeloze mensen terwijl hij kan opzoeken wat ἐμμένω‎ (emmenō) betekent. 

Die vloek is niet de vloek van de wet. 

Die vloek is de vloek over wie de woorden willens en wetens niet wil gehoorzamen.