Het visioen van Petrus:
Waarom de Bijbelse voedselwetten nog steeds gelden

In deze studie gaan we kijken naar het visioen van Cefas (Petrus) waaruit menig christen wil afleiden dat hij alles mag eten omdat "de Allerhoogste hier Zijn eigen wet, de Thora, zou hebben veranderd". 

In deze studie zullen we daarom de christelijke dogmatiek gaan ontmantelen en onder ogen zien, dat de voedselwetten nog steeds van kracht zijn. 

Handelingen 10:9-17  

9 En des anderen daags, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, klom Cefas op het dak, om te bidden, omtrent de zesde ure.  10  En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekking van zinnen.  11  En hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde;  12  In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.  13  En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Cefas! slacht en eet.  14  Maar Cefas zeide: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.  15  En een stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.  16  En dit geschiedde tot drie maal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel.  17  En alzo Cefas in zichzelven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn, dat hij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort. 

Wanneer Cefas dit visioen ontvangt, spreekt de Eeuwige niet over voedsel maar over mensen. We zien dit namelijk duidelijk terug in de volgende passages: 

Handelingen 10:26-28 

26  Maar Cefas richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens. 27  En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren. 28  En hij zeide tot hen: Gij weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten. 

De gewoonte waar Cefas mee af dient te rekenen is de Joodse traditie dat Joden niet met vreemden mochten omgaan. Dit is een traditie die vandaag de dag nog steeds actueel is en uit de koker van de farizeeën komt. 

Echter druist dit tegen de Thora in, want we zien in Leviticus 19 en Numeri 15 dat hier heel duidelijk gezegd wordt dat vreemdelingen zich ook bij het volk Israël mochten voegen en zich dus aan dezelfde Thora dienden te conformeren.  

Leviticus 19:33-34 

33  En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet verdrukken. 34  De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben de Eeuwige, uw God! 

 

Numeri 15:15-16 

15  Gij, gemeente, het zij ulieden en den vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, enerlei inzetting: ter eeuwige inzetting bij uw geslachten, gelijk gijlieden, alzo zal de vreemdeling voor het aangezicht van de Eeuwige zijn.  16  Enerlei Thora en enerlei recht zal ulieden zijn, en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert. 

Vanwege de bovenstaande geboden, moest Cefas met de Joodse traditionele gewoonte afrekenen. Het ging hier dus niet om het breken van voedselwetten, nee, het ging om het breken met een verachtelijke traditie die heel bewust mensen uitsluit. 

Dit wordt opnieuw bevestigd in Handelingen 11:1 -18. We zien dat er in Handelingen 11 voor de tweede keer duidelijk wordt verklaard, dat het visioen van Cefas betrekking had op het breken met een valse Joodse traditie en toenadering te zoeken tot de heidenen. 

Iets wat al vanaf het begin af aan de bedoeling was.  

Handelingen 11:1-18 

1 De apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden.  2  En toen Cefas opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren,  3  Zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen, die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten.  4  Maar Cefas, beginnende, verhaalde het hun vervolgens, zeggende:   Ik was in de stad Joppe, biddende en zag in een vertrekking van zinnen een gezicht, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken nedergelaten uit den hemel, en het kwam tot bij mij;  6  Op welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik, en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.  7  En ik hoorde een stem, die tot mij zeide: Sta op, Cefas, slacht en eet.  8  Maar ik zeide: Geenszins, Heere, want nooit is iets, dat gemeen of onrein was, in mijn mond ingegaan.  9  Doch de stem antwoordde mij ten tweeden male uit den hemel: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.  10  En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in den hemel.  11  En ziet, ter zelfder ure stonden er drie mannen voor het huis, daar ik in was, die van Cesarea tot mij afgezonden waren.  12  En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des man huis ingegaan.  13  En hij heeft ons verhaald, hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond, en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Cefas;  14  Die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis.  15  En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.  16  En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest.  17  Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft, als ook ons, die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren?  18  En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven! 

Het was hier dus geenszins de bedoeling om de Thora opzij te schuiven zoals vele christenen proberen te beweren. Dit is een grove misvatting die ontstaat door een losse gedeelten uit de context te trekken, omdat zij het liefst de christelijke dogmatiek willen navolgen. 

Daarbij is het opvallend dat er vele dieren op het doek waren die vandaag de dag als gewoon of zelfs als delicatessen worden beschouwd. Denk aan kreeft, garnalen of varkensvlees. Toch zien we dat Cefas weigert tegen de Thora in te gaan en ook nadat hij Cornelius heeft gedoopt, zich gewoon nog steeds aan Gods volmaakte voedselwetten houdt, aangezien hij nergens onrein vlees zal eten. Het was hem namelijk van kinds af aangeleerd.