Romeinen 10:4,
Het einde der Thora, doel of afschaffing?
Er is één zin uit de brief aan de Romeinen die als sluitsteen dienst doet in vrijwel elke preek waarin de Thora wordt afgeschreven. Sha’ul (Paulus) schrijft dat het einde der Thora HaMashiach is. Wie die zin leest met de betekenis die het Nederlandse woord einde in het dagelijks spraakgebruik draagt, hoort een grafrede. Men denkt vaak dat de Thora zijn beste tijd gehad heeft en dat die tijd voorbij is en de Messias het dossier heeft afgesloten. Juist dit is iets wat dus totaal onmogelijk is, omdat er zoveel teksten in het Nieuwe Testament het tegendeel bewijzen.
Vele christenen vragen mij soms:
"Maar Paulus noemt Jezus toch het einde der wet?"
Dat klopt, in ieder geval wel in het Nederlands. Het punt is echter dat zowel Hebreeuwse en Griekse woorden vaak drie of meer betekenissen hebben. Hier konden de vertalers er slechts één van kiezen. Helaas is dat in dit geval zeer ongelukkig afgehandeld.
Maar Sha’ul schreef geen Nederlands. Hij schreef Grieks, en hij schreef binnen een gedachtewereld die geheel op de Thora en de Profeten rust. Deze studie legt de betrokken passages naast elkaar en laat de grondtekst zelf uitmaken wat er werkelijk staat.
De teksten
De eerste tekst die Sha’ul in Romeinen 10:5 zelf aanhaalt is Leviticus 18:4-5. Zij staat midden in een reeks bepalingen waarmee de Eeuwige Zijn volk afgrenst van de gewoonten van Egypte en Kanaän. De belofte die aan het houden van de inzettingen verbonden wordt, is leven.
Leviticus 18:4-5
4 Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de Eeuwige, uw God! 5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de Eeuwige!
De tweede tekst staat aan het slot van Deuteronomium, waar Moshe (Mozes) het volk voor de laatste maal toespreekt voordat zij het land binnengaan. Hij heeft zegen en vloek voorgehouden en sluit af met een verweer tegen één bepaald excuus, namelijk dat het gebod te hoog gegrepen zou zijn. Deze passage is beslissend, omdat Sha’ul haar in Romeinen 10:6-8 woordelijk overneemt.
Deuteronomium 30:11-14
11 Want ditzelve gebod, hetwelk ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre. 12 Het is niet in den hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen? 13 Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen? 14 Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.
Sha’ul schrijft aan een gemeente in de hoofdstad van het rijk, waar Joden en heidenen naast elkaar zitten en de vraag brandt wie er nu eigenlijk bij hoort. Hij opent niet met een aanklacht maar met een gebed voor zijn eigen volk. Let op wat hij hun verwijt. Niet dat zij de Thora houden, maar dat zij een eigen gerechtigheid oprichten.
Romeinen 10:1-8
1 Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid. 2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. 3 Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. 4 Want het einde der Thora is HaMashiach, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft. 5 Want Moshe beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de Thora is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. 6 Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is HaMashiach van boven afbrengen. 7 Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is HaMashiach uit de doden opbrengen. 8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken.
De vierde tekst die we in deze studie zullen behandelen komt van dezelfde schrijver, jaren later, in een brief aan Timotheüs. Sha’ul gebruikt daar precies dezelfde uitdrukking over het gebod. In beide teksten staat hetzelfde Griekse woord voor einde. Wie het in Romeinen 10:4 vertaalt als afschaffing, moet dat hier ook doen. De zin luidt dan dat de liefde het gebod heeft afgeschaft. Dat kan Sha'ul niet bedoeld hebben. Twee verzen verder berispt hij mensen die leraars der Thora willen zijn, en zijn verwijt luidt niet dat de Thora is afgeschaft maar dat zij niet begrijpen wat zij onderwijzen. Van een afgeschaft gebod valt niets meer te onderwijzen en zou het beroep van leraar der Thora zelf de dwaling zijn.
1 Timotheüs 1:5-7
5 Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof. 6 Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreking; 7 Willende leraars der Thora zijn, niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen.
Verantwoording van de grondtekstmethode
Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon en functie. Een woord zoals het in het vers staat, ziet er daardoor anders uit dan de vorm waaronder het in een woordenboek te vinden is. Hieronder staat daarom eerst de vorm zoals die werkelijk in de tekst voorkomt, en daarna de wortel waaruit die vorm gebouwd is. Het verschil tussen beide is geen onnauwkeurigheid maar de gewone werking van de taal.
De Hebreeuwse grondtekst
Deuteronomium 30:11 en 30:14
11 Want ditzelve gebod (הַמִּצְוָה, hammitsvah), hetwelk ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre. 14 Want dit woord (הַדָּבָר, haddavar) is zeer nabij (קָרוֹב, qarov) u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen (לַעֲשֹׂתוֹ, la’asoto).
Het woord gebod is vertaald vanuit het Hebreeuwse הַמִּצְוָה (hammitsvah), gevormd uit de wortel צָוָה (tsavah), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: bevel, opdracht, voorschrift, datgene wat is toevertrouwd. Moshe spreekt hier niet over een gevoel of een gezindheid maar over een concrete instructie die op dat moment gegeven wordt.
Het woord woord is vertaald vanuit het Hebreeuwse הַדָּבָר (haddavar), gevormd uit de wortel דָּבָר (davar), en laat zich ook graag vertalen als zaak, uitspraak, aangelegenheid. Van belang is waar dit woord naar terugwijst. Het onderwerp van Deuteronomium 30:14 is niets anders dan het gebod van Deuteronomium 30:11. Het nabije woord is dus het gebod zelf.
Het woord doen is vertaald vanuit het Hebreeuwse לַעֲשֹׂתוֹ (la’asoto), gevormd uit de wortel עָשָׂה (asah), en kan ook wel vertaald worden als volbrengen, verrichten, uitvoeren. De nabijheid waarvan Moshe spreekt heeft één doel, namelijk uitvoering. Het gebod is dichtbij gebracht opdat het gedaan wordt.
De Griekse grondtekst
Romeinen 10:3-4
3 Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen (ἀγνοοῦντες, agnoountes), en hun eigen (ἰδίαν, idian) gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. 4 Want het einde (τέλος, telos) der Thora is HaMashiach, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.
Het woord kennen is vertaald vanuit het Griekse ἀγνοοῦντες (agnoountes), gevormd uit de wortel ἀγνοέω (agnoeō), en kan ook wel vertaald worden als onwetend zijn, niet doorhebben, ernaast zitten. Sha’ul beschrijft geen opstand maar een misverstand. Zijn volk mist iets, er is echter niets dat zij verwerpt.
Het woord eigen is vertaald vanuit het Griekse ἰδίαν (idian), gevormd uit de wortel ἴδιος (idios), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: van zichzelf, particulier, persoonlijk bezit. Hier ligt het werkelijke contrast van de passage. Het gaat om eigen gerechtigheid tegenover Gods gerechtigheid, niet om de Thora tegenover het geloof.
Het woord einde is vertaald vanuit het Griekse τέλος (telos) en laat zich ook graag vertalen als doel, einddoel, bestemming, uitkomst, voltooiing. Sha’ul gebruikt hetzelfde woord in Romeinen 13:7 voor de tol die aan de overheid verschuldigd is, en in 1 Timotheüs 1:5 voor de liefde als τέλος (telos) van het gebod. Beslissend is echter de afgrenzing. Het Grieks kent woorden die ontbinden en buiten werking stellen betekenen, namelijk καταλύω (katalyō), gebruikt in Mattheüs 5:17, en καταργέω (katargeō). Geen van beide staat in Romeinen 10:4. Sha’ul kende die woorden en koos ze niet.
Yeshua kwam namelijk om de volle betekenis aan de Thora te geven; het doel van de Thora. Anders gezegd; het doel der wet.
Mattheus 5:17-19
17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden (katalyō); Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden (katalyō), maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.
De Septuaginta en het Nieuwe Testament
Sha'ul schrijft in het Grieks aan lezers die het Oude Testament in het Grieks kenden. Dit oude geschrift staat ook wel bekend als de Septuaginta. Wanneer hij Deuteronomium 30 aanhaalt, valt daarom te controleren of hij die Griekse tekst werkelijk overneemt en waar hij ervan afwijkt. Hieronder staat de oudtestamentische passage boven en de nieuwtestamentische direct daaronder, zodat de lezer de overeenkomst zelf ziet en haar niet op gezag hoeft aan te nemen.
Deuteronomium 30:12-14
12 Het is niet in den hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen (τίς ἀναβήσεται εἰς τὸν οὐρανόν, tis anabēsetai eis ton ouranon), dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen? 13 Het is ook niet op gene zijde der zee (πέραν τῆς θαλάσσης, peran tēs thalassēs), om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen? 14 Want dit woord is zeer nabij u (ἐγγύς σου τὸ ῥῆμα, engys sou to rhēma), in uw mond (ἐν τῷ στόματί σου, en tō stomati sou), en in uw hart (ἐν τῇ καρδίᾳ σου, en tē kardia sou), om dat te doen (ποιεῖν αὐτό, poiein auto).
Romeinen 10:6-8
6 Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen (τίς ἀναβήσεται εἰς τὸν οὐρανόν, tis anabēsetai eis ton ouranon)? Hetzelve is HaMashiach van boven afbrengen. 7 Of, wie zal in den afgrond (εἰς τὴν ἄβυσσον, eis tēn abysson) nederdalen? Hetzelve is HaMashiach uit de doden opbrengen. 8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord (ἐγγύς σου τὸ ῥῆμά ἐστιν, engys sou to rhēma estin), in uw mond (ἐν τῷ στόματί σου, en tō stomati sou) en in uw hart (ἐν τῇ καρδίᾳ σου, en tē kardia sou). Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken.
De bewoording loopt gedeeltelijk woordelijk gelijk en wijkt gedeeltelijk af. Dat verschil moet apart worden benoemd.
Woordelijk gelijk zijn de vraag naar de hemelvaart en de gehele slotzin over het nabije woord in mond en hart. Dat is een citaat uit de Septuaginta, geen vrije toespeling.
Afwijkend is de tweede vraag. Waar de Septuaginta van Deuteronomium 30:13 spreekt over de overzijde van de zee, spreekt Sha’ul over de afgrond. Dat Griekse woord is elders in de Septuaginta aanwijsbaar in juist deze koppeling met de hemel, namelijk in Psalm 107:26, in de Septuaginta genummerd als Psalm 106. Daar klimmen mensen op tot de hemelen en dalen zij neder tot de afgronden. Dit is dus een zinspeling die volledig in lijn is met de Thora en de Psalmen.
De Septuaginta besluit Deuteronomium 30:14 met de woorden om dat te doen. Sha’ul haalt die woorden niet aan. Hij vervangt ze evenmin door een ontbinding, maar door belijden met de mond en geloven met het hart, precies de twee plaatsen die de aangehaalde tekst zelf noemt.
Deuteronomium 30:14
Want dit woord is zeer nabij u (ἐγγύς σου τὸ ῥῆμα, engys sou to rhēma), in uw mond (ἐν τῷ στόματί σου, en tō stomati sou), en in uw hart (ἐν τῇ καρδίᾳ σου, en tē kardia sou), om dat te doen (ποιεῖν αὐτό, poiein auto).
En daarmee staat de zaak vast. Sha’ul bewijst de nabijheid van het geloof met de tekst die de nabijheid van het gebod bewijst. Wie beweert dat Romeinen 10:4 de Thora opheft, moet het weten vol te houden dat Sha’ul die opheffing aantoont door Deuteronomium 30 aan te halen.
Tot slot
Sha’ul verwijt zijn volk geen trouw jegens de Thora. Hij verwijt hun onwetendheid, en die onwetendheid noemt hij ijver. Hij bidt daarom voor hen. Hij schrijft hen niet af.
De instelling die de Thora dood verklaart, staat op een andere plaats. Zij bezit de Griekse tekst. Zij bezit de woordenboeken waarin staat dat het betwiste woord doel en bestemming draagt. Zij bezit de Septuaginta waarin te lezen valt welke tekst Sha’ul aanhaalt. Zij bezit ook de twee Griekse woorden die werkelijk ontbinden betekenen, en zij weet dat Sha’ul ze hier niet gebruikte.
Dit is het instituut Kerk, dat zijn heidense wortels en de banden met het Vaticaan nooit heeft willen verbreken.
Is dat nog onwetendheid?
Nee.
De Eeuwige oordeelt anders over wie struikelt in het donker, dan over degene die het licht aan heeft en doelbewust de andere kant op kijkt. De gelovige die opgroeide met een misleidende preek op zondag is niet de schuldige. De leraar die de grondtekst opsloeg en het woord doel las en "einde" predikte, is dat wel. Een bestemming is geen sterfbed. Een eindstreep bewijst dat de baan bestond.
De Thora vond haar doel, zij vond niet haar graf;
wie einde vertaalt, schrijft de Eeuwige Zelf af.