Romeinen 14 uitgelegd:
de voedselwetten zijn nooit afgeschaft

In vele theologische discussies zien we dat Romeinen 14 vaak wordt ingezet om de sabbat, de hoogtijdagen van de Eeuwige en de voedselwetten buiten werking te stellen. Soms klinkt het streng vanaf de kansel, soms vriendelijk aan de koffietafel:  

“Je mag je er gerust aan houden als jij dat prettig vindt, zolang je het maar aan niemand oplegt”. De toon verschilt, de boodschap niet. Deze studie stelt daarom één vraag en beantwoordt die tot het einde toe. 

Waarover ging het geschil in Rome werkelijk?  

Om dat te weten moeten we eerst vaststellen wat de Thora zelf onrein noemt, want zonder die maatstaf is elk beroep op Romeinen 14 een beroep op gebakken lucht. 

In Leviticus 11 spreekt de Eeuwige tot Moshe (Mozes) en Aharon (Aäron) over de dieren die Zijn volk wel en niet eten mag. Deze passage staat vooraan omdat zij het ijkpunt vormt van alles wat volgt. Wie later beweert dat een dergelijk dier onrein is of juist niet, moet zijn bewering aan deze woorden laten meten en aan geen ander. 

Leviticus 11:7-8 

7 Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeen, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn. 8 Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn. 

Moshe (Mozes) legt daar bovendien een grens omheen. Wat de Eeuwige heeft gesproken mag niet worden ingekort, maar evenmin mag er iets aan worden vastgeplakt. Deze passage staat hier omdat zij vooruitwijst naar het geschil in Rome. Niet de Thora drukte daar op de schouders van de gelovigen, maar hetgeen eraan was toegevoegd. 

Deuteronomium 4:1-2 

1 Nu dan, Israel! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de Eeuwige, uwer vaderen God, u geeft. 2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van de Eeuwige, uw God, die ik u gebiede. 

De omstandigheden in Rome maken het geschil begrijpelijk. Handelingen 18:2 vermeldt dat keizer Claudius de Joden uit Rome had verdreven, waardoor de gemeente daar jarenlang overwegend uit niet-Joden bestond. Toen de Joodse gelovigen terugkeerden, troffen zij een huisgemeente aan die hun gewoonten niet kende, terwijl zij zelf een leven meebrachten waarin overlevering en gebod door elkaar waren gaan lopen. Aan één tafel zaten mensen met verschillende gewoonten rond voedsel, vasten en gezelschap. Daar ontstond de wrijving waarover Sha'ul (Paulus) schreef. Het was gericht aan de gemeente in een stad waar de Romeinse gewoonte, de Joodse overlevering en het geloof in Yeshua (Jezus) elkaar dagelijks raakten. Hij opent zijn behandeling niet met een leerstelling maar met een huishoudelijke kwestie. Let daarbij vooral op wat de zwakke eet, want de Thora beperkt niemand tot moeskruiden. 

Romeinen 14:1-3 

1 Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen. 2 De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. 3 Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen. 

Onmiddellijk na de kwestie van het eten volgt de kwestie van de dagen. Sha'ul (Paulus) laat de gemeente hierin volledig vrij. Juist die vrijheid verraadt waarover hij spreekt. Wat de Eeuwige Zelf heeft vastgesteld, staat immers nooit ter beoordeling van het eigen gemoed. 

Romeinen 14:5-6 

5 De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. 6 Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God. 

Dan valt de zin waarop het hele bouwwerk rust. Losgemaakt uit het hoofdstuk lezen vele christenen het als een vrijbrief om te doen wat men goeddunkt. Als we vers 13-14 echter in context benaderen, zien we dat het een slot is van een betoog over aanstoot en oordeel, waarin het Nederlandse woord onrein terugkeert. Echter zullen we later gaan zien dat de Griekse tekst hier een ander woord gebruikt dan in Leviticus 11. 

Romeinen 14:13-14 

13 Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft. 14 Ik weet en ben verzekerd in den Heere Yeshua, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein. 

Verantwoording van de grondtekstmethode 


Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar getal, naamval, tijd en functie. Een woord staat in het vers daardoor zelden in de vorm waarin een woordenboek het opvoert. Hieronder wordt eerst de vorm genoemd zoals die werkelijk in het vers staat en daarna de wortel waaruit die vorm is opgebouwd. Het verschil tussen beide is geen fout maar de gewone werking van de taal.

De Hebreeuwse grondtekst 

Leviticus 11:7-8 

7 Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeen, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein (טָמֵא‎tamé) zijn. 8 Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein (טְמֵאִים‎temeïm) zijn. 

Het woord onrein in Leviticus 11:7-8 is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord טָמֵאtamé en draagt de volgende betekenissen met zich mee: onrein, bezoedeld, ongeschikt om te naderen tot het heilige. In vers 7 staat de enkelvoudige vorm טָמֵאtamé en in vers 8 de meervoudsvorm טְמֵאִיםtemeïm, beide gevormd uit de wortel טמאtm', die het onrein worden en het onrein verklaren aanduidt. Deze onreinheid is de enige die de Thora aan voedsel verbindt. Zij wordt door de Eeuwige vastgesteld en door niemand anders. Daarom kan geen mens haar opheffen en geen mens haar uitbreiden. 

De Griekse grondtekst 

Romeinen 14:1-3 

1 Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen (διακρίσεις‎diakriseis). 2 De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. 3 Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen. 

Het woord twistige samensprekingen in Romeinen 14:1 is vertaald vanuit het Griekse woord διακρίσεις‎diakriseis en kan ook wel vertaald worden als het uiteenleggen van bedenkingen, het beslechten van innerlijke overwegingen. In het vers staat de meervoudsvorm διακρίσεις‎diakriseis, gevormd uit διάκρισις‎diakrisis, dat op zijn beurt teruggaat op het werkwoord διακρίνω‎diakrinō: scheiden, onderscheiden, aarzelen, twijfelen. Het onderwerp van het hoofdstuk is daarmee in het eerste vers al benoemd. Sha'ul (Paulus) opent over twijfel en niet over gehoorzaamheid, want wie zeker is van een gebod van de Eeuwige heeft niets te beslechten. 

Romeinen 14:5-6 

5 De een acht wel den enen dag (ἡμέραν‎hēmeran) boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. 6 Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God. 

Het woord dag in Romeinen 14:5 is vertaald vanuit het Griekse woord ἡμέραν‎hēmeran en laat zich ook graag vertalen als etmaal, dag op de kalender, dagdeel van licht. In het vers staat de vierde naamval ἡμέραν‎hēmeran, gevormd uit ἡμέρα‎hēmera. Wanneer het Nieuwe Testament een vastgestelde feestdag aanduidt, gebruikt het daarvoor ἑορτή‎heortē, zoals in Marcus 14:1-2 en in Johannes 7:37-38. Het woord ἑορτή‎heortē ontbreekt volledig in Romeinen 14. Sha'ul (Paulus) laat dus dagen vrij die de Eeuwige nergens heeft opgelegd, zoals de wekelijkse vastendagen waarvan Lukas 18:12 terloops getuigt. Een dag die de Eeuwige Zelf heiligt, komt in deze bewoording niet voor.  

Het Griekse woord dat Romeinen 14:14 met onrein weergeeft is het Griekse woord κοινόν‎koinon en dat vinden we ook terug in Marcus 7:1-2. Daar gaat het niet over voedsel, maar over ongewassen handen. Het betreft daar een overlevering en een menselijke traditie, die in de Thora nergens te vinden is. 

Marcus 7:1-2 

1 En tot Hem vergaderden de Farizeen, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; 2 En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine (κοιναῖς‎koinais), dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen. 

Romeinen 14:13-14 

13 Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft. 14 Ik weet en ben verzekerd in den Heere Yeshua, dat geen ding onrein (κοινόν‎koinon) is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein. 

Het woord onrein in Romeinen 14:14 is vertaald vanuit het Griekse woord κοινόν‎koinon en draagt de volgende betekenissen met zich mee: gemeenschappelijk, alledaags, gewoon, wat door menselijk gebruik als besmet geldt. In het vers staat de onzijdige vorm κοινόν‎koinon, gevormd uit κοινός‎koinos. In Marcus 7:2 staat de meervoudsvorm κοιναῖς‎koinais uit dezelfde wortel. Dit woord duidt nergens een dier aan dat de Eeuwige verboden heeft. Het duidt aan wat door aanraking, gezelschap of gebruik als alledaags geldt. Die maatstaf ligt in de hand van de mens, die vanuit traditionele overwegingen wil toevoegen aan de heilige Thora, hetgeen strikt verboden is (Deuteronomium 4:1-2) 

De Septuaginta 

De Griekse vertaling van de Thora laat zien welk woord de Schrift wél gebruikt wanneer zij een voedsel verbiedt. De oudtestamentische passage staat boven en de nieuwtestamentische direct daaronder. 

Leviticus 11:7-8 

7 Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeen, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein (ἀκάθαρτον‎akatharton) zijn. 8 Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein (ἀκάθαρτα‎akatharta) zijn. 

Handelingen 10:13-14 

13 En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet. 14 Maar Petrus zeide: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen (κοινόν‎koinon) of onrein (ἀκάθαρτον‎akatharton) was. 

Cefas (Petrus) grijpt in Handelingen 10:14 terug op ἀκάθαρτος‎ (akathartos), het woord waarmee de Griekse vertaling van de Thora de onreine dieren van Leviticus 11 aanduidt. Hij gebruikt het precies daar waar hij spreekt over wat hij nooit heeft gegeten. Zijn weigering berust dus op de inzetting van de Eeuwige en niet op een gewoonte van mensen. 

Beslissend is echter niet de overeenkomst maar de afgrenzing. Cefas (Petrus) noemt twee woorden naast elkaar en onderscheidt daarmee twee categorieën. Het woord ἀκάθαρτος‎akathartos is de vaste weergave van het Hebreeuwse טָמֵאtamé in de spijswetten en kan ook wel vertaald worden als onrein naar de inzetting van de Eeuwige. Het woord κοινός‎koinos dat betrekking heeft op menselijke leerstellingen, staat logischerwijs nergens opgetekend in Leviticus 11. 

Sha'ul (Paulus) schrijft in Romeinen 14:14 uitsluitend κοινόν‎koinon. Hij ontkent de onreinheid van de overlevering en raakt de onreinheid van de Thora met geen woord aan. Wie een hoofdstuk dat over het ene woord gaat, uitroept tot opheffing van het andere, verklaart iets wat er simpelweg niet staat. 

Tot slot 

Twee woorden, twee werelden. De Thora verklaart een dier onrein en alleen de Eeuwige bepaalt dat. De overlevering verklaart een maaltijd gemeen en alleen de mens bepaalt dat. Sha'ul (Paulus) neemt in Romeinen 14 het tweede woord in de mond en laat het eerste ongemoeid. Wie daaruit besluit dat het zwijn rein verklaard is, heeft niet de brief gelezen maar de vertaling door een selectieve christelijke bril. 

En dat is precies wat er is gebeurd. 

De gelovige die op zondag hoort dat Romeinen 14 hem vrijstelt, treft geen blaam. Hij ontvangt wat hem wordt aangereikt en hij ontvangt het in vertrouwen. De blaam ligt bij de instelling die het Grieks in haar seminaries onderwijst en het van haar kansels verzwijgt. Wie dwaalt uit onwetendheid, wordt onderwezen. Wie de grondtekst kent en hem toch achterhoudt, wordt geoordeeld door de tekst die hij zelf heeft opengeslagen. 

Romeinen 14 heeft geen enkel gebod afgeschaft. 

Het heeft één last opgeheven. Die last kwam niet van de Eeuwige. 

Wat de mens heeft toegevoegd, mag de mens weer neerleggen. 
Wat de Eeuwige heeft gesproken, blijft staan wanneer de laatste kansel is vergaan.