Romeinen 6:14
Is de wet afgeschaft door de genade?

Er is nauwelijks een zin in het Nieuwe Testament die zo vaak wordt aangehaald als de mededeling van Sha'ul (Paulus), dat de hedendaagse christen niet "onder de wet is maar onder de genade". In vele preken geldt die zin als het einde van een discussie. De geboden van de Eeuwige zouden hun kracht hebben verloren en wie ze houdt zou terugvallen in een oude bedeling, die door de Kerk wordt afgeschilderd als een gruwel. 

Toch staat die zin niet in een hoofdstuk over de geboden, inzettingen en rechten. Hij staat in een hoofdstuk over de zonde en over de heerschappij die zij voert. Sha'ul schrijft aan gelovigen in Rome die zich afvragen wat de genade doet met hun dagelijkse leven. De vraag die het hele hoofdstuk beheerst, is niet of de Thora nog bestaat, maar wie er heerst over de mens. 

Deze studie stelt daarom één vraag. Wat betekent het woordje onder? 

De onbekende schrijver van Psalm 119 bidt niet om ontslag van de geboden maar om bescherming tegen een macht die hem wil overheersen. Hij vraagt om genade en hij vraagt om vaste voetstappen in het Woord, in dezelfde adem. Daarmee ligt de koppeling tussen genade, gebod en heerschappij al eeuwen vóór Sha'ul op tafel. 

Psalm 119:130-133 

130 De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende. 131 Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd; want ik heb verlangd naar Uw geboden. 132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen. 133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. 

Voordat Sha'ul in Romeinen 6 over genade spreekt, heeft hij in Romeinen 3 vastgesteld waar ieder mens zich bevindt. Hij gebruikt daar precies dezelfde constructie als in Romeinen 6:14, alleen met een ander woord erachter. Wie deze zin leest, weet meteen wat het woord onder in het Grieks doet. 

Romeinen 3:9-10 

9 Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn; 10 Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een; 

Dan volgt de passage zelf. Sha'ul spreekt eerst over HaMashiach en over de dood die geen zeggenschap meer over Hem heeft. Vanuit die gedachte trekt hij de lijn door naar de gelovige. Let op wat er in de verzen vóór en na de bekende zin gebeurt, want daar wordt de betekenis van het woord onder vastgelegd. 

Romeinen 6:9-15 

9 Wetende, dat HaMashiach, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. 10 Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. 11 Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in HaMashiach Yeshua, onzen Heere. 12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. 13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit den doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid. 14 Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de Thora, maar onder de genade. 15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de Thora, maar onder de genade? Dat zij verre. 

Verantwoording van de grondtekstmethode 

Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon, getal en functie in de zin. Daardoor staat een woord in het vers zelden in de vorm die het woordenboek geeft. In de exegese hieronder wordt daarom eerst de vorm genoemd zoals die werkelijk in de tekst staat en daarna de wortel waaruit die vorm is gebouwd. Wie beide naast elkaar ziet, kan zelf nagaan dat er niets is bijgemaakt. 

De Hebreeuwse grondtekst 

Psalm 119:132-133 

132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen. 133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord (בְּאִמְרָתֶךָ‎, be'imratecha), en laat geen ongerechtigheid (אָוֶן‎, aven) over mij heersen (תַּשְׁלֶט‎, tashlet). 

Het woord Woord is vertaald vanuit het Hebreeuwse אִמְרָה‎ (imrah), hier in de vorm בְּאִמְרָתֶךָ‎ (be'imratecha), en laat zich ook graag vertalen als uitspraak, toezegging, gebod. Wat de schrijver tegen de heerschappij van het onrecht stelt is dus niet de afschaffing van het gebod maar het gebod zelf.  

Het woord ongerechtigheid is vertaald vanuit het Hebreeuwse אָוֶן‎ (aven) en kan ook wel vertaald worden als onrecht, verkeerdheid, nietigheid. Het is geen abstracte macht buiten de mens maar het krom handelen van de mens zelf. 

Het woord heersen is vertaald vanuit het Hebreeuwse תַּשְׁלֶט‎ (tashlet), gevormd uit de wortel שָׁלַט‎ (shalat), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: macht uitoefenen over, zeggenschap hebben, de baas zijn. De schrijver vraagt niet of de ongerechtigheid mag verdwijnen uit de wereld. Hij vraagt of zij geen zeggenschap over hem krijgt. 

De Griekse grondtekst 

Romeinen 6:14-15 

14 Want de zonde (ἁμαρτία‎, hamartia) zal over u niet heersen (κυριεύσει‎, kyrieusei); want gij zijt niet onder de Thora (ὑπὸ νόμον‎, hypo nomon), maar onder de genade (ὑπὸ χάριν‎, hypo charin). 15 Wat dan? Zullen wij zondigen (ἁμαρτήσωμεν‎, hamartēsōmen), omdat wij niet zijn onder de Thora (ὑπὸ νόμον‎, hypo nomon), maar onder de genade? Dat zij verre. 

Romeinen 3:9 

9 Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde (ὑφ' ἁμαρτίαν‎, hyph' hamartian) zijn; 

Het woord heersen is vertaald vanuit het Griekse κυριεύσει‎ (kyrieusei), gevormd uit de wortel κυριεύω‎ (kyrieuō), en kan ook wel vertaald worden als heer zijn over, gezag voeren, in bezit hebben. Dezelfde werkwoordsvorm gebruikt Sha'ul enkele verzen eerder over de dood, in Romeinen 6:9. De dood is daar echter niet opgehouden te bestaan. De dood heeft alleen geen zeggenschap meer over HaMashiach. Dat is de betekenis waarmee het hoofdstuk werkt. 

De uitdrukking onder de wet is vertaald vanuit het Griekse ὑπὸ νόμον‎ (hypo nomon) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: onder de macht van, onder de zeggenschap van, onderworpen aan het oordeel van. Het voorzetsel staat hier met de vierde naamval en drukt dan geen plaats uit, maar onderschikking aan een gezag. Precies diezelfde constructie zet Sha'ul in Romeinen 3:9 achter een ander woord, waar hij schrijft dat allen onder de zonde zijn ὑφ' ἁμαρτίαν‎ (hyph' hamartian). 

Daar wordt het beslissend. Niemand leest in Romeinen 3:9 dat de zonde is afgeschaft. Iedereen leest daar dat de mens onder haar macht ligt. Dezelfde constructie kan in Romeinen 6:14 dus niet plotseling betekenen dat het onderwerp is opgeheven. Zij betekent dat de gelovige niet langer onder het oordeel van de Thora ligt. 

Het woord genade is vertaald vanuit het Griekse χάριν‎ (charin), gevormd uit de wortel χάρις‎ (charis), en laat zich ook graag vertalen als gunst, welwillendheid, onverdiende goedheid. Genade is in deze zin geen vrijstelling maar een andere heer. Wie onder de genade staat, staat daarmee onder gezag en niet buiten gezag. 

Het woord zondigen is vertaald vanuit het Griekse ἁμαρτήσωμεν‎ (hamartēsōmen), gevormd uit de wortel ἁμαρτάνω‎ (hamartanō), en kan ook wel vertaald worden als het doel missen, afdwalen, overtreden. Met deze vraag in Romeinen 6:15 sluit Sha'ul zijn eigen zin af. Als niet onder de Thora zou betekenen dat de geboden zijn ingetrokken, dan bestond zonde niet meer en was zijn vraag zinloos. Hij stelt haar toch en hij antwoordt met de scherpste ontkenning die de Griekse taal kent. 

De Septuaginta 

Psalm 119:133 in de Septuaginta genummerd als Psalm 118:133 

133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord (λόγιον‎, logion), en laat geen ongerechtigheid (ἀνομία‎, anomia) over mij heersen (κατακυριευσάτω‎, katakyrieusatō). 

Romeinen 6:14 

14 Want de zonde zal over u niet heersen (κυριεύσει‎, kyrieusei); want gij zijt niet onder de Thora, maar onder de genade. 

De koppeling tussen beide teksten is een zinspeling op grond van een gedeelde wortel. De Septuaginta gebruikt de samengestelde vorm κατακυριεύω‎ (katakyrieuō) waar Sha'ul de eenvoudige vorm κυριεύω‎ (kyrieuō) gebruikt, en de Septuaginta heeft ἀνομία‎ (anomia) waar Sha'ul ἁμαρτία‎ (hamartia) heeft. De wortel is gedeeld en de koppeling is identiek: iets mag geen heerschappij voeren over de mens. 

En juist die afwijking legt de zaak bloot. Het woord dat de Septuaginta kiest voor het onrecht dat wil heersen is ἀνομία‎ (anomia), letterlijk wetteloosheid, zonder de Thora zijn. De macht waartegen de psalmist zijn gebed uitstort, is dus precies de toestand waarin de Thora geen zeggenschap heeft. Wie Romeinen 6:14 leest als vrijstelling van de geboden, maakt van de bevrijding de gevangenis waaruit de Schrift hem juist wil verlossen. 

Tot slot 

Betekent niet onder de Thora dat de geboden van de Eeuwige zijn ingetrokken? 

Nee. 

Het hoofdstuk zegt zelf wat er onder heerschappij ligt. De dood heerst niet meer over HaMashiach, terwijl de dood bestaat. De zonde zal niet heersen over de gelovige, terwijl de zonde bestaat. Wie deze twee zinnen leest zoals zij staan en dan bij de derde zin plotseling besluit dat de Thora is opgeheven, leest niet meer maar kiest voor een verwerpelijk christelijk dogma.