Wat Hebreeën 7 en 8 werkelijk zeggen:
de wet is niet afgeschaft,
het priesterschap is veranderd

Wat Hebreeën 7 en 8 werkelijk zeggen: de wet is niet afgeschaft, het priesterschap is veranderd 

Er zijn twee verzen uit de Hebreeënbrief die al zeventien eeuwen worden aangevoerd als bewijs dat Gods Thora heeft afgedaan. Ze staan in vrijwel elke preek, elke catechismus en elk discussiedraadje waarin iemand vraagt of de sabbat en de voedselwetten nog gelden. Ze worden geciteerd zonder wat eromheen staat, en dat is geen toeval. 

Hebreeën 7:12 

Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der Thora. 

Hebreeën 8:13 

Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning. 

Zo losgeknipt lijkt de zaak beklonken. Maar er ontstaat onmiddellijk een probleem, want dezelfde Schrift zegt over diezelfde Thora iets heel anders. 

Psalm 19:8 

De Thora van de Eeuwige is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis van de Eeuwige is gewis, den slechten wijsheid gevende. 

Psalm 119:1-2 

1 Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de Thora van de Eeuwige gaan. 2 Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken. 

Wie de gangbare uitleg volgt, moet dus geloven dat God iets wat Hij zelf volmaakt noemt, later heeft afgekeurd en weggedaan. Dat is geen theologie, dat is een God die Zichzelf tegenspreekt. En zodra je Hebreeën 7 en 8 werkelijk leest in plaats van er twee zinnen uit te vissen, blijkt dat de brief precies het tegenovergestelde betoogt van wat men er al die eeuwen in heeft willen zien. 

De eed die alles al had aangekondigd 

Voordat we bij de Hebreeënbrief komen, moeten we terug naar David. Want de verandering waar Hebreeën 7 over spreekt, is geen nieuwigheid uit het Nieuwe Testament. Zij was duizend jaar eerder al onder ede aangekondigd. 

Psalm 110:1-4 

1 Een psalm van David. De Eeuwige heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. 2 De Eeuwige zal den scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden. 3 Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn. 4 De Eeuwige heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Malkitsedek. 

Lees vers 4 nog eens langzaam. God zweert een eed. Er komt een Priester in eeuwigheid, en Hij is niet naar de ordening van Aharon (Aäron) maar naar de ordening van Malkitsedek (Melchizedek). Malkitsedek was de koning van Salem die Avraham (Abraham) tegemoet kwam in Genesis 14, een priester zonder geslachtsregister, zonder vermelde geboorte en zonder vermelde dood. 

Hier ligt de sleutel die de Kerk stelselmatig heeft laten liggen. Als God al in de Psalmen zweert dat er een priesterschap van een andere orde komt, dan is de verandering in Hebreeën 7 geen breuk met de Schrift maar de vervulling ervan. De hele Hebreeënbrief citeert Psalm 110 en bouwt daarop voort. De brief bedenkt niets nieuws. Hij legt uit wat David al had gezongen. 

En dat betekent iets ongemakkelijks voor wie beweert dat de Thora is afgeschaft. Want de verandering die de Hebreeënbrief beschrijft, staat aangekondigd in de Schriften zelf. Iets wat de Schrift zelf voorzegt, kan de Schrift zelf niet ongeldig maken. 

Een priesterschap dat zichzelf onmogelijk maakte 

Waarom was die verandering eigenlijk nodig? Niet omdat de Thora tekortschoot, maar omdat de mensen die haar moesten bewaken keer op keer faalden. De geschiedenis van het Levitische priesterschap is een lange, pijnlijke aaneenschakeling van ontheiliging. 

Het begon al bij de wijding van de tabernakel, toen Nadav (Nadab) en Avihu (Abihu) vreemd vuur voor het aangezicht van de Eeuwige brachten en ter plaatse stierven (Leviticus 10:1-2). In de tijd van de Richteren zien we een Leviet die zijn dienst laat bepalen door eigen eer en voordeel, die dient in een privé-heiligdom vol zelfgemaakte beelden en zich zonder moeite laat overhalen door de stam Dan zodra zij hem een grotere positie beloven (Richteren 17-18). 

De zonen van Eli, Chofni (Hofni) en Pinchas (Pinehas), roofden het offervlees dat aan God toebehoorde en bedreven ontucht bij de ingang van de tent der samenkomst. God verklaarde daarop dat het huis van Eli niet langer als priesterhuis zou blijven bestaan (1 Samuël 2:12-17, 22-25; 1 Samuël 3:11-14). 

Onder koning Achaz ging het nog verder. De hogepriester Uriyah (Uria) kreeg opdracht een heidens altaar te bouwen naar Assyrisch model, gehoorzaamde zonder tegenspraak en plaatste het zelfs vóór het brandofferaltaar van de Eeuwige (2 Koningen 16:10-16). De eredienst werd vervalst door de man die haar had moeten beschermen. 

De profeet Yirmeyahu (Jeremia) beschuldigt de priesters ervan dat zij de Thora niet kennen, bij altaren van Baäl dienen en leugen profeteren (Jeremia 2:8; 5:31; 23:11). Yechezkel (Ezechiël) beschrijft hoe de Levieten hun heilige taak verlieten en afgoden dienden, waarna zij nog slechts lagere tempeldiensten mochten verrichten en alleen de zonen van Tsadok (Zadok) tot het altaar mochten naderen (Ezechiël 44:10-16). En Malachi (Maleachi) sluit het Oude Testament af met de vaststelling dat de priesters het verbond van Levi hadden verdorven: gebrekkige offers, verkeerd onderricht en geen eerbied voor de Naam (Maleachi 1:6-14; 2:1-9). 

De Thora stelde aan de hogepriester de allerhoogste eisen. Zijn gewaad mocht niet scheuren en hij mocht geen dood lichaam aanraken, zelfs niet dat van zijn eigen vader of moeder (Leviticus 21:10-11). Hij mocht het Heilige der Heiligen alleen op de vastgestelde dag betreden, en alleen volgens de voorgeschreven orde (Leviticus 16:2-3). Die eisen waren volmaakt. De mensen die ze moesten dragen, waren dat niet. 

Dat is de kern waar het hele betoog van de Hebreeënbrief op rust. Het gebrek zat nooit in de Thora. Het zat in sterfelijke, zondige priesters die stierven, vervangen moesten worden en eerst voor hun eigen zonden moesten offeren voordat zij voor het volk konden offeren. 

Het volmaakte Pesachlam 

En dan staat er Eén op die wél volmaakt is. Yeshua (Jezus) leefde de Thora volkomen na, zonder één overtreding, en kon daardoor doen wat geen enkele Levitische priester ooit kon: Zichzelf aanbieden als het offer. 

Johannes 1:29 

Des anderen daags zag Yochanan Yeshua tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! 

Yochanan (Johannes) de Doper, zelf priester uit de afdeling van Abia en via beide ouders een nakomeling van Aharon, wijst niet naar een leraar of een profeet. Hij wijst naar een Lam. En dat woord is niet toevallig gekozen, want het verwijst rechtstreeks naar Egypte, naar het bloed aan de deurposten, naar het lam zonder gebrek waarvan geen been gebroken mocht worden (Exodus 12:46). 

1 Korinthe 5:7 

Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk HaMashiach. 

Yeshua stierf op Pesach, op het moment dat in de tempel de lammeren werden geslacht. En de Schrift wijst nadrukkelijk op dat ene detail uit Exodus 12. 

Johannes 19:36 

Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden. 

Hier ligt de betekenis van het woord vervullen. Yeshua heeft de offerdienst niet afgeschaft maar tot haar doel gebracht. Het Levitische offer moest jaar na jaar herhaald worden, precies omdat het nooit definitief kon zijn. Het volmaakte offer hoefde maar één keer gebracht te worden, omdat het Lam zonder gebrek was. 

En let goed op wat daarmee wél en niet verandert. Wat verandert, is het offer en de bediening. De sabbat verandert niet. De voedselwetten veranderen niet. De hoogtijdagen uit Leviticus 23 veranderen niet. Sterker nog, Pesach zelf bewijst het tegendeel, want juist doordat God die feestdag had ingesteld en Israël hem eeuwenlang had gehouden, was er een dag en een beeld waarin de Messias Zijn werk kon voltooien. De feesten zijn geen schaduw die je weggooit. Zij zijn de agenda waarop God Zijn heilsplan heeft geschreven. 

Wat Hebreeën 7:12 werkelijk zegt 

Met die achtergrond wordt het beruchte vers ineens glashelder. De schrijver laat zijn lezer namelijk niet raden welke Thora hij bedoelt. Hij legt het uit in de twee verzen die er direct op volgen. 

Hebreeën 7:13-14 

13 Want Hij, op Wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft. 14 Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap. 

Het gaat om de Thora die vastlegde dat alleen mannen uit de stam Levi, uit het geslacht van Aharon, tot het altaar mochten naderen. Yeshua kwam voort uit Juda. Volgens die ene regel had Hij geen priesterlijke bevoegdheid. Omdat het priesterschap overging naar de orde van Malkitsedek, zoals God onder ede had gezworen, moest die afstammingsregel wel meeveranderen. 

Er staat dus niets over voedsel. Niets over de rustdag. Niets over de feesten. Er staat iets over de vraag wie priester mag zijn. Wie vers 12 losknipt van vers 13 en 14, knipt precies de uitleg weg die de schrijver er zelf bij gaf. Dat is geen slordigheid. Dat is selectie. 

Vers 18 gaat over één gebod 

Een paar verzen verder ligt de tweede struikelsteen, en die wordt bijna altijd samen met de eerste aangevoerd. 

Hebreeën 7:18-19 

18 Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wil; 19 Want de Thora heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken. 

Dit wordt gelezen alsof de gehele Thora hier zwak en onprofijtelijk wordt genoemd. Maar het woord voor gebod staat in het enkelvoud en sluit rechtstreeks aan bij het betoog dat er vlak boven staat, over de priesterlijke afstammingsregel. Het is dat ene gebod dat zwak wordt genoemd, en wel in één specifiek opzicht: het kon geen blijvende verzoening bewerken. 

Vers 19 legt precies uit waarom. De Thora kon geen mens tot volkomenheid brengen zolang zij afhankelijk was van een offerdienst die telkens herhaald moest worden en van priesters die zelf ook zondigden en stierven. Elke hogepriester ging dood en moest vervangen worden, waardoor de bemiddeling voortdurend werd onderbroken. Dat is geen oordeel over de heiligheid van Gods geboden. Dat is een constatering over sterfelijkheid. 

Hebreeën 8:13 spreekt zichzelf ogenschijnlijk tegen, tenzij je doorleest 

Dan de tweede bewijstekst. Het slotvers van Hebreeën 8 zegt dat het eerste oud is gemaakt en nabij de verdwijning is. Maar wát is dat eerste? De tekst heeft dat zelf al twee keer aangegeven. 

Hebreeën 8:7-9 

7 Want indien dat eerste verbond onberispelijk geweest ware, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest. 8 Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Eeuwige, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; 9 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Eeuwige. 

Het eerste is het eerste verbond. En let op de drie kleine woorden in vers 8: hen berispende. God berispt niet Zijn eigen verbond en al helemaal niet Zijn eigen Thora. Hij berispt hen, de mensen. Vers 9 zegt het onomwonden: zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven. 

Een verbond is dan ook iets heel anders dan een gebod. Een verbond is een overeenkomst tussen twee partijen, en die kan verbroken worden door menselijke ontrouw. Geboden en inzettingen zijn de inhoud van Gods onderricht en drukken uit wie Hij is. Wie die twee door elkaar haalt, komt onvermijdelijk uit bij de gedachte dat God Zijn eigen Thora zou hebben afgekeurd. De schrijver van de Hebreeënbrief haalt ze nergens door elkaar. 

En dan is er nog iets, en dit is misschien wel het meest ontluisterende voor de gangbare uitleg. Drie verzen vóór de beroemde uitsmijter staat dit: 

Hebreeën 8:10 

Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Eeuwige: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 

Mijn wetten. Niet andere wetten, geen nieuwe wetten, niet een verzachte versie ervan. Dezelfde wetten die eerder op stenen tafelen stonden, worden nu in het hart geschreven. Wat verandert, is niet de inhoud maar de plaats. Van steen naar hart, van buiten naar binnen. 

Daarmee wordt vers 13 volstrekt onmogelijk te lezen als een afschaffing van de Thora. Men kan niet in het hart schrijven wat men zojuist heeft afgeschaft. Wie vers 13 losknipt van vers 10, zet de tekst regelrecht tegenover zichzelf. 

Bovendien bedenkt de schrijver hier niets nieuws. Hij citeert de profeet Yirmeyahu woordelijk, zeven eeuwen eerder opgeschreven. 

Jeremia 31:33 

Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Eeuwige: Ik zal Mijn Thora in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 

Twee getuigen, zeven eeuwen uit elkaar, en beiden zeggen exact hetzelfde. Het verbond wordt vernieuwd. De Thora wordt verplaatst. Afgeschaft wordt zij nergens. 

Waarom dit al zo lang wordt volgehouden  

Ondanks de gerichte exegese, blijft het de vraag hoe zo'n doorzichtige verkeerde lezing eeuwenlang overeind kon blijven. Het antwoord is niet exegetisch maar historisch. Vanaf Constantijn kreeg het christendom een staatsvorm, en die vorm had er alle belang bij om zich los te maken van alles wat Joods was. De sabbat werd een zondag. Pesach werd een lentefeest met een andere naam en een andere datum. De voedselwetten verdwenen. En omdat dat allemaal niet in de Schrift te vinden was, moesten er verzen komen die het rechtvaardigden. 

Hebreeën 7:12 en 8:13 waren daarvoor bruikbaar, mits je ze losknipte van hun context. Zo is het gegaan, en zo gaat het nog steeds. Niet omdat de gemiddelde christen kwaadwillend is, want de meesten geven eerlijk door wat hun is geleerd. Maar de leer zelf is niet uit de tekst gegroeid. Zij is eraan opgelegd. 

En de kosten daarvan zijn niet gering. Miljoenen gelovigen zijn opgevoed met het idee dat Gods eigen onderricht iets wettisch, achterhaalds en zelfs gevaarlijks is. Zij zijn een rustdag kwijtgeraakt die God als zegen bedoelde, een leefwijze die gezondheid en ordening geeft, en een agenda van feesten waarin het hele heilsplan besloten ligt. Dat is geen bevrijding. Dat is verlies dat men als winst heeft leren zien. 

Wat er dan wel is veranderd  

Hebreeën 7 en 8 beschrijven samen één beweging, en die bestaat uit drie verhuizingen. 

Het priesterschap verhuist van de orde van Aharon naar de orde van Malkitsedek, precies zoals God in Psalm 110 onder ede had gezworen. De bediening verhuist van een aardse tabernakel naar het ware heiligdom, waar de eeuwige Hogepriester dient die niet sterft en dus nooit vervangen hoeft te worden. En Gods Thora verhuist van stenen tafelen naar het hart van de gelovige, waar zij niet meer kan sneuvelen zoals de tafelen ooit aan de voet van de berg. 

Drie verhuizingen. Geen enkele afschaffing. 

Wat op het moment van schrijven werkelijk nabij de verdwijning was, blijkt trouwens uit het hoofdstuk zelf. In Hebreeën 8:4 staat dat er priesters zijn die conform de Thora gaven offeren, in de tegenwoordige tijd. De tempel stond nog en de offerdienst liep nog door toen deze brief werd geschreven. Precies dát hield kort daarna op te bestaan. De sabbat, de voedselwetten en de hoogtijdagen zijn nooit verdwenen en worden tot op de dag van vandaag gehouden. 

De Thora blijft daarmee wat de Psalmen altijd al beleden: volmaakt, bekerende de ziel, en een bron van wijsheid en vreugde voor wie haar bewaart. Wie deel uitmaakt van het Nieuwe Verbond wordt door Gods Geest geleid om Zijn weg te gaan, waardoor gehoorzaamheid geen last is maar rust, en geen dwang maar blijdschap. 

Er is één stem die door alles heen te horen blijft, en die zegt niet dat Zijn onderricht heeft afgedaan. Die zegt: Ik zal Mijn wetten in hun harten schrijven.