1. Toegestaan in de Thora
Wie oprecht wil weten of alcohol geoorloofd is, mag niet beginnen bij wat hemzelf goed uitkomt of bij wat in zijn eigen kring gangbaar is geworden. Hij moet beginnen waar elke gelovige behoort te beginnen, namelijk bij de vijf boeken van Moshe (Mozes), want daarin is vastgelegd wat de Eeuwige Zelf heeft ingesteld, lang voordat er enige menselijke opvatting over ontstond. Wat daar geschreven staat, is niet onderhandelbaar en niet aan mode onderhevig; het is de maatstaf waaraan elke latere leer getoetst moet worden.
Deuteronomium 14:24-26
24 Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de Eeuwige, uw God, u zal gezegend hebben; 25 Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal; 26 En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, en weest vrolijk, gij en uw huis.
Wie te ver van het heiligdom woonde om zijn tiende in natura te vervoeren, mocht die eerst verzilveren en met het geld ter plaatse doen wat zijn hart begeerde, inclusief wijn en sterke drank. Het Hebreeuws gebruikt hier twee woorden naast elkaar: יַיִן (yayin), de gewone wijn, en שֵׁכָר (shekar), de sterke drank. Beide worden hier in één adem genoemd met runderen en schapen, als onderdeel van een feestmaal dat uitdrukkelijk vóór het aangezicht van God plaatsvindt. Sowieso bevat de Thora geen enkele inzetting die wijn en sterke drank zou verbieden.
Er zijn twee uitzonderingen, en beide bevestigen juist de regel. De nazireeër moest zich tijdens zijn gelofte onthouden van wijn en sterke drank, en de priester mocht ze niet aanraken zodra hij dienst deed in de tent der samenkomst.
Leviticus 10:8-11
8 Verder sprak de Eeuwige tot Aharon (Aäron), zeggende: 9 Wijn en sterken drank zult gij niet drinken, gij, noch uw zonen met u, als gij gaan zult in de tent der samenkomst, opdat gij niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten; 10 En om onderscheid te maken tussen het heilige en het onheilige, en tussen het onreine en het reine; 11 En om den kinderen Israëls te leren al de inzettingen, die de Eeuwige tot hen gesproken heeft door de hand van Moshe.
Let op de reden en de reikwijdte van dit gebod. Het geldt uitsluitend tijdens de dienst aan het altaar, met als doel dat de priester onderscheid kan blijven maken tussen heilig en onheilig, niet als een verbod voor zijn gewone leven daarbuiten. Een uitzondering ontleent haar zin juist aan het bestaan van een algemene regel waarvan zij afwijkt. Was drank voor iedereen verboden geweest, dan waren zowel deze bepaling voor de priester als de eerdere voor de nazireeër volstrekt zinledig.
Wat er wél in het algemeen staat, is dat niemand aan Gods geboden mag toevoegen of ervan afdoen.
Deuteronomium 4:1-2
1 Nu dan, Israël! Hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de Eeuwige, uwer vaderen God, u geeft. 2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van de Eeuwige, uw God, die ik u gebiede.
Wie beweert dat matig alcoholgebruik zonde is, spreekt een leugen uit die lijnrecht tegen de Thora ingaat. De Eeuwige heeft dit namelijk nooit als inzetting laten optekenen, maar wil Zijn kinderen aansporen tot matigheid. Alleen op deze manier kunnen wij in het licht van de Thora genieten van hetgeen de Schrift ons toestaat.