2. Echte wijn
Voordat wij kunnen beoordelen of het gebruik van wijn wel of niet geoorloofd is, moeten we eerst vaststellen wát die wijn in de Bijbel werkelijk was. De aanhangers van de onthoudingsleer nemen zonder enig onderzoek aan dat het om druivensap ging, waarin geen alcohol aanwezig is. Vervolgens wordt deze aanname zodanig vaak herhaald, alsof de kracht van de herhaling haar tot waarheid maakt. Maar de Hebreeuwse grondtekst laat op dit punt geen enkele ruimte voor twijfel. Het is dan ook een zorgvuldige blik op de grondtekst zelf, die de onthoudingsleer ontmaskert als een valse doctrine, die men van buitenaf in de tekst probeert te lezen.
Genesis 14:17-19
17 Toen ging de koning van Sodom uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedorlaomer, en van de koningen, die met hem waren), in het dal Shave, dat is, het dal des konings. 18 En Malkitsedek (Melchizedek), koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods. 19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Avram (Abram) Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!
De wijn waarmee Malkitsedek Avram tegemoetkomt, is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord יַיִן (yayin). Dit is het woord voor gewone wijn dat door de hele Schrift heen terugkeert en betekent dan ook nadrukkelijk gefermenteerde wijn.
Dat dit woord zorgvuldig gekozen is en niet zomaar inwisselbaar met druivensap, bewijst de Thora verderop op een plaats waar men het niet meteen zou verwachten. Het Hebreeuws bezat namelijk een eigen woord voor onvergist druivensap, מִשְׁרַת עֲנָבִים (mishrat anavim), en dat woord staat er ook daadwerkelijk, in de wet van de nazireeër.
Numeri 6:3-4
3 Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik en sterkedranks-edik zal hij niet drinken, noch enig sap van druiven (mishrat anavim) drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. 4 Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niets eten, wat van den wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot den bezien toe.
Zie hoe nauwkeurig de Eeuwige hier te werk gaat. Naast wijn (yayin) en sterke drank (shekar) noemt Hij afzonderlijk ook het druivensap (mishrat anavim) zelf, alsof Hij elke verwarring tussen de twee bij voorbaat wil uitsluiten. Was yayin zelf al druivensap geweest, dan zou deze derde vermelding een overbodige herhaling zijn. De Thora herhaalt zich hier echter niet, zij somt op: wijn (yayin), sterke drank (shekar), druivensap (mishrat anavim), en de druif (enav) zelf, vier aparte zaken met vier aparte woorden. En wanneer de gelofte ten einde loopt, staat er niet dat de nazireeër weer mishrat anavim mag nuttigen, maar uitdrukkelijk weer yayin, oftewel alcoholhoudende wijn (Numeri 6:20). Het woord voor druivensap bestond dus in de letterlijke bewoording mishrat anavim, en dit woord lezen we nergens toen Avram en Malkitsedek het brood en de wijn met elkaar deelden.
Deze wijn komt uit de hand van een priester van de allerhoogste God zelf, aangeboden aan Avram vlak na diens overwinning en direct vóór de zegenspraak die erop volgt. Zou wijn werkelijk onrein zijn geweest, dan had deze priester een gruwel gedragen in plaats van een zegen.
Nog geladener wordt het bij de zegen die Yaakov (Jakob) over Yehuda (Juda) uitspreekt, de stam waaruit de Messias zou voortkomen.
Genesis 49:10-12
10 De schepter zal van Yehuda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Shilo (Silo) komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn. 11 Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelen wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn (yayin), en zijn gewaad in wijndruivenbloed (dam-enav). 12 De ogen zijn roodachtig van wijn (yayin), en de tanden wit van melk.
We zien in deze bijzondere profetie dat yayin en het plechtige דַּם־עֵנָב (dam-enav) direct op één lijn beschreven staan. Dam-enav betekent letterlijk het bloed der druiven, een uitdrukking die vooruitwijst naar het bloed van de komende Verlosser, precies in het vers waarin over de schepter en de komst van Shilo gesproken wordt. Ditzelfde beeld keert terug in het lied van Moshe, waar de Eeuwige de overvloed van Zijn zegeningen opsomt.
Deuteronomium 32:13-14
13 Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots; 14 Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Bashan (Bazan) weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken.
Het woord dat de Statenvertaling hier met reine wijn weergeeft, is חֶמֶר (chemer), de bruisende, gistende wijn, het woord dat zelf al de gisting in zich draagt. Chemer komt van het werkwoord חָמַר (chamar), en dat werkwoord betekent letterlijk opborrelen, gisten, schuimen. De Brown-Driver-Briggs-lexicon, het standaardlexicon voor Bijbels Hebreeuws, beschrijft chemer dan ook expliciet als wijn, zo genoemd naar haar gisting. Er bestaat geen enkele manier om van dit woord “onvergist, alcoholvrij sap” te maken; het beschrijft juist het schuimen en werken van de most op weg naar wijn, in dezelfde opsomming als honing uit de rots en het vet der lammeren, stuk voor stuk beelden van overvloedige zegen. Wie volhoudt dat de wijn uit de oudheid geen alcohol bevatte, spreekt niet vanuit de heilige tekst, maar vanuit een onheilige afkeer van drank, die vaak berust op persoonlijke pijn of indoctrinatie. Vervolgens probeert hij deze afkeer aan de tekst te verbinden in plaats van het Woord met een ontvankelijk hart te lezen.
Helaas komt dit verschijnsel nog steeds te vaak voor binnen diverse christelijke gemeenschappen, terwijl de Thora geen enkele toevoeging duldt, maar ons de vrijheid biedt waar we ten diepste naar verlangen.