4. Van Jozua tot Maleachi
Wie vanuit de Thora verder leest in de boeken van de geschiedenis en de profeten, zal ontdekken dat er niets verandert aan wat daar al werd vastgelegd. Van Jozua tot Maleachi loopt precies dezelfde lijn door, en wie deze boeken zorgvuldig langsgaat, ziet telkens opnieuw hetzelfde onderscheid tussen zegen en misbruik bevestigd.
In Richteren zegt de wijnstok zelf dat zijn most zowel God als mensen vrolijk maakt, een eer die in de hele Schrift zelden aan een gewas wordt toegekend.
Richteren 9:12-13
12 Toen zeiden de bomen tot den wijnstok: Kom gij, wees koning over ons. 13 Maar de wijnstok zeide tot hen: Zou ik mijn most verlaten, dien God en mensen vrolijk maakt? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?
Boaz eet en drinkt op de dorsvloer met een vrolijk hart, en blijft toch volledig eervol, het levende bewijs dat een vrolijk hart en een rechtschapen wandel elkaar niet uitsluiten.
Ruth 3:7
Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste van een koren hoop.
Bij Naval (Nabal) daarentegen slaat het om: zijn hart was vrolijk, maar hij was daarbovenop zeer dronken, en die roes wordt hem noodlottig.
1 Samuël 25:36
En Avigayil (Abigaïl) kwam tot Naval, en ziet, hij had een maaltijd in zijn huis, als eens konings maaltijd; en het hart van Naval was vrolijk op denzelven, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet een woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht.
David probeert later Uriyah (Uria) dronken te voeren om zijn eigen zonde te verbergen, precies zoals de dochters van Lot deden.
2 Samuël 11:12-13
12 Toen zeide David tot Uriyah: Blijf ook heden hier, zo zal ik u morgen laten gaan. Alzo bleef Uriyah te Jeruzalem, dien dag en den anderen dag. 13 En David noodde hem, dat hij at en dronk voor zijn aangezicht, en hij maakte hem dronken; en hij ging in den avond uit, om zich neder te leggen op zijn leger, met zijns heren knechten; maar tot zijn huis ging hij niet af.
De Kronieken laten zien dat wijn, koren en olie gewoon bewaard werden in de schatkamers van de tempeldienst. Bij de herbouw van de tempel beveelt zelfs een heidense koning dat er wijn geleverd wordt voor de offerdienst.
Ezra 7:21-23
21 En van mij, mij Artachshasta (Arthahsasta), den koning, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde der rivier zijt: Alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde der wet van den God des hemels, van u zal begeren, dat het spoediglijk gedaan worde; 22 Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd korren tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift. 23 Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waarom zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen?
Wat een veelzeggend beeld: een heidense koning schrijft zelf voor dat er honderd bath wijn geleverd moet worden voor de dienst aan het huis van de God des hemels, uit vrees voor Zijn toorn wanneer dat bevel niet wordt uitgevoerd.
Yeshayahu (Jesaja) is de scherpste getuige van beide kanten, en juist bij hem vinden we de teksten die tegenstanders het vaakst aanhalen.
Jesaja 5:11-12
11 Wee dengenen, die des morgens vroeg opstaan, om sterken drank na te jagen; die tot in de schemering blijven zitten, totdat hen de wijn verhit! 12 En op welker maaltijden harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn; maar zij aanschouwen het werk van de Eeuwige niet, en zij zien niet op het maaksel Zijner handen.
Jesaja 5:22-23
22 Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloek zijn om sterken drank te mengen; 23 Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de rechtvaardigheid der rechtvaardigen van hen afwenden!
Lees ook hier weer nauwkeurig. Het eerste wee treft hen die bij zonsopgang al op zoek gaan naar drank en tot diep in de nacht doorgaan, mensen wier hele dag om de beker draait en die daardoor het werk van de Eeuwige niet meer opmerken. Het tweede wee raakt evenmin de gewone drinker, maar iets heel anders, en dat blijkt pas ten volle uit de Hebreeuwse grondtekst.
Het woord dat de Statenvertaling hier met helden weergeeft, is גִּבּוֹרִים (gibborim), afgeleid van de stam גָּבַר (gavar), wat sterk zijn, overwinnen of de overhand krijgen betekent. Dit is geen alledaags woord. Het is de aanduiding voor de helden van David, de dappersten van zijn leger, en het wordt zelfs van de Eeuwige Zelf gebruikt wanneer Hij de machtige Held genoemd wordt. Wanneer Yeshayahu dit woord nu toepast op mannen die uitblinken in het legen van de beker, dan zet hij het bewust op zijn kop. De krijgshaftige eretitel van het slagveld wordt hier toegeschreven aan mannen wier enige veldslag zich aan de drinktafel afspeelt, en wier enige overwinning bestaat uit wat zij kunnen verdragen zonder om te vallen. Dat is snijdende spot.
Diezelfde omkering zit ook in het tweede deel van het vers. Er staat letterlijk dat zij mannen van kracht zijn om sterke drank te mengen, opnieuw een uitdrukking uit de wereld van de strijd, hier verlaagd tot het aanlengen van drank. Yeshayahu laat zo zien hoezeer het volk zijn maatstaven kwijt is: wat eertijds heldenmoed heette, heet nu drinkvermogen.
En let op wat daar direct op volgt: precies deze bewonderde mannen verdraaien voor een geschenk het recht van de rechtvaardige. De pochende losbandigheid en de omkoopbaarheid gaan hand in hand. Hier wordt dus geen maaltijd met een beker wijn beschreven, maar een hele bovenlaag die haar eer ontleent aan de verkeerde dingen.
De profeet richt zijn aanklacht bovendien op de priesters en profeten die door de wijn dwalen tijdens hun dienst, precies de mannen die volgens Leviticus 10 geen wijn mochten drinken zolang zij het heiligdom betraden. Toch verklaart diezelfde Yeshayahu de most in de druiventros tot een zegen, en tekent hij de Messias als Iemand Die de wijnpers treedt met een gewaad rood van het sap, hetzelfde beeld als het druivenbloed uit Genesis 49.
Jesaja 65:8-9
8 Alzo zegt de Eeuwige: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; alzo zal Ik het om Mijner knechten wil doen, dat Ik hen niet allen verderve. 9 En Ik zal uit Yaakov zaad voortbrengen, en uit Yehuda een erfbezitter Mijner bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen aldaar wonen.
De most die men niet wil verderven omdat er een zegen in zit, staat hier rechtstreeks naast de belofte van het erfelijk bezit voor Gods uitverkorenen. Beide beelden spreken van hetzelfde behoud: wat kostbaar en nog onaf is, wordt door de Eeuwige gespaard omwille van de belofte die erin verscholen ligt.
Ook Hoshea (Hosea) wordt vaak aangehaald.
Hosea 4:10-12
10 En zij zullen eten, doch niet zat worden, zij zullen hoereren, doch niet uitbreken, want zij hebben nagelaten de Eeuwige te onderhouden. 11 Hoererij, en wijn, en most nemen het hart weg. 12 Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het bericht geven; want de geest der hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weglopen, om te hoereren.
De context van dit vers is niet een algemene veroordeling van drank, maar een aanklacht tegen de afgoderij en de morele ontbinding van het volk, dat de valse goden raadpleegt in plaats van de Eeuwige. Hoererij, wijn en most staan hier als drie tekenen van eenzelfde zedelijk verval, van een volk dat zich aan uitspatting overgeeft in plaats van aan de Eeuwige. Het is dezelfde overdaad die Spreuken 23 en Jesaja 5 al veroordeelden, niet het matige gebruik dat wij in deel 1 en 2 uit diezelfde Thora leerden.
Bij Yirmeyahu (Jeremia) weigeren de Rechabieten wijn uit trouw aan een familiegelofte, en de Eeuwige prijst hun trouw, loyaliteit en toewijding, hetgeen de Israëlieten juist aan de wilgen hadden gehangen. Het draait om de prijzenswaardige toewijding en niet om hun onthouding als algemene norm.
Amos klaagt aan dat men nazireeërs wijn liet drinken om hun gelofte te breken, wat bevestigt dat die onthouding uitzonderlijk was. En Malachi (Maleachi), aan het einde van het Oude Testament, belooft dat de Eeuwige de wijnstok zal beschermen voor wie trouw hun tiende brengen, precies de wijn waarmee deze studie begon.