5. Het Nieuwe Testament
Wie na Malachi de bladzijde omslaat naar het Nieuwe Testament, zou een breuk kunnen verwachten, alsof met de komst van de Messias alles anders werd. Maar de Messias Zelf heeft dat vermoeden bij voorbaat de kop ingedrukt, en juist in Zijn eigen woorden en daden vinden wij de vervulling van alles wat de Thora en de profeten al hadden vastgelegd.
Mattheüs 5:17-20
17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
Vers 20 verdient hier bijzondere aandacht, want de Messias waarschuwt daar uitdrukkelijk tegen een gerechtigheid die niet verder komt dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën. En dat is precies waar de anti-alcoholleer zichzelf ontmaskert. Zij presenteert zich als een hogere heiligheid, een strengere toewijding dan het geschreven Woord vereist, en noemt dat vervolgens gerechtigheid. Maar de Messias noemt die extra strengheid geen gerechtigheid, Hij noemt haar ontoereikend, omdat zij mensenwerk toevoegt aan Gods gebod in plaats van dat gebod te vervullen. Wie verder wil gaan dan de Thora door een verbod te verkondigen dat zij niet bevat, doet exact wat de schriftgeleerden en farizeeën deden, en wordt door dit vers niet geprezen maar terechtgewezen.
De sleutel voor het vervolg is de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament die de apostelen citeerden. Het Hebreeuwse yayin wordt daarin steevast weergegeven met οἶνος (oinos). Bij Genesis 14:18 vertaalt de Septuaginta de wijn van Malkitsedek met oinos, en dat is exact hetzelfde woord dat het Nieuwe Testament voor de wijn van de Messias gebruikt. Er is geen taalkundig verschil.
Lukas 1:13-15
13 Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zecharyah (Zacharias)! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elisheva (Elizabet) zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Yochanan (Johannes). 14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. 15 Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank (oinos kai sikera) zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.
Hier staat in het Grieks οἶνον καὶ σίκερα (oinon kai sikera), wijn en sterke drank, en dit is niet zomaar een toevallige woordkeuze. Dit exacte woordpaar komt rechtstreeks uit de Septuaginta-vertaling van de nazireeërwet.
Numeri 6:2-3 (Septuaginta)
2 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als een man of een vrouw zich zal afzonderen, belovende een gelofte van een nazireeër, om zich voor de Eeuwige af te zonderen; 3 Van wijn en sterken drank (oinos kai sikera) zal hij zich afzonderen; wijnazijn, en azijn van sterken drank zal hij niet drinken.
Lukas gebruikt hier letterlijk dezelfde twee Griekse woorden, οἶνος (oinos) en σίκερα (sikera), die de Septuaginta al drie eeuwen vóór zijn geboorte gebruikte om precies deze nazireeërwet weer te geven. Dit is geen vage gelijkenis maar een woordelijke aanhaling: wie Lukas 1:15 leest, leest daarmee automatisch Numeri 6 mee, in exact dezelfde bewoording. Yochanan de Doper is met andere woorden een nazireeër van de moederschoot af, in de lijn van Shimshon (Simson) en Shmuel (Samuël). Zijn onthouding is dus een bijzondere gelofte, geen algemene norm. Dat blijkt zodra we naar de Messias zelf kijken.
Mattheüs 11:18-19
18 Want Yochanan is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel. 19 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Doch de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen.
Men kan iemand alleen een wijndrinker noemen wanneer hij daadwerkelijk wijn drinkt. De Messias heeft die beschuldiging nooit ontkend, en het contrast met Yochanan, die juist niet at en dronk, maakt dat des te duidelijker.
En dan komt de bruiloft te Kana, waar de hele anti-alcoholleer instort. De Messias verandert water in oinos, de béste wijn van het feest, geschonken aan gasten die al ruim gedronken hadden.
Johannes 2:9-10
9 Als nu de hofmeester het water, dat wijn (oinos) geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn (oinos) was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom. 10 En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn (oinos) op, en wanneer zij wel gedronken hebben, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn (oinos) tot nu toe bewaard.
Hier is er geen ontsnapping meer mogelijk.
Of alcohol is zonde, en dan heeft de zondeloze Messias met Zijn eerste wonder eigenhandig honderden liters zonde geschapen, wat ondenkbaar is.
Of alcohol is geen zonde, en dan was Zijn wonder precies wat het lijkt: een goede gave, tot Zijn eer. Wie de wijn wil verbannen uit het leven van de gelovige, moet eerst de Messias uit Kana verbannen.
Bij het laatste avondmaal verheft de Messias juist de wijn, de vrucht van de wijnstok, tot teken van Zijn eigen bloed, de vervulling van het druivenbloed uit Genesis 49. Een onreine stof zou Hij daar nooit voor gebruikt hebben.
Nu moeten we de reeks teksten bespreken die in het Nieuwe Testament het scherpst tegen dronkenschap waarschuwen, want juist deze worden vaak zonder hun context aangehaald.
Lukas 21:34-35
34 En wacht uzelven, dat te eniger tijd uw harten niet bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheid dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. 35 Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gehelen aardbodem gezeten zijn.
Romeinen 13:12-13
12 De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts. 13 Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid.
1 Korinthe 6:9-10
9 Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, 10 Noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, noch lasteraars, noch rovers, zullen het Koninkrijk Gods beërven.
Galaten 5:19-21
19 De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, 20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, 21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.
1 Thessalonicensen 5:6-8
6 Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn. 7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken. 8 Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.
In al deze verzen staat hetzelfde Griekse begrippenpaar dat wij al bij Naval en Belshatsar (Belsazar) in het Oude Testament zagen: de roes en de losbandigheid die eruit voortvloeit. Geen van deze teksten verbiedt wijn. Ze verbieden dronkenschap en beschrijven die dronkenschap in de context van wandaden zoals moord, diefstal en losbandigheid, wat aangeeft hoe ernstig Sha'ul (Paulus) die roes beoordeelt. Maar het zijn dezelfde apostelen die, zoals we zo dadelijk zien, zelf het gebruik van wijn aanbevelen.
Er is ook een reeks teksten over de kwalificaties van gemeenteleiders die vaak verkeerd gelezen wordt.
1 Timotheüs 3:2-3
2 Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leren; 3 Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker, maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig.
1 Timotheüs 3:8
Dat de diakenen insgelijks eerlijk zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijns begeven, niet vuil-gewinzoekende.
Titus 1:7-8
7 Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker; 8 Maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuis.
Lees de bewoording precies. Er staat niet dat de opziener of de diaken geen wijn mag drinken. Er staat dat hij er niet aan verslaafd mag zijn, niet toegewijd aan de fles, niet iemand die zich aan veel wijn overgeeft. Dit is niet slechts een kwestie van interpretatie: de Griekse grondtekst bewijst het rechtstreeks. Het woord dat de Statenvertaling met niet genegen tot den wijn weergeeft, is πάροινος (paroinos), een samenstelling van παρά (para), bij of naast, en οἶνος (oinos), wijn. Het woord beschrijft niet iemand die wijn drinkt, maar iemand die zich bij de wijn misdraagt, een ruziezoeker aan de drinktafel, een agressor onder invloed. Dat blijkt onmiskenbaar uit het woord dat er in beide verzen direct op volgt: μὴ πλήκτην (mē plēktēn), geen vechter, geen ruziemaker. Sha'ul plaatst paroinos dus in het rijtje van gewelddadig, roekeloos gedrag, niet in het rijtje van spijs- en drankvoorschriften. Een opziener mag niet de man zijn die bij de drank ruzie zoekt of zijn vuisten gebruikt, en dat is een heel andere eis dan dat hij geen druppel zou mogen aanraken.
Was geheelonthouding de norm geweest, dan had Sha'ul eenvoudig kunnen schrijven dat een opziener helemaal geen wijn mag drinken. Dat schrijft hij nergens. Hij trekt precies dezelfde grens die de hele Schrift al trekt, bij de onmatigheid en de agressie die daaruit voortkomt.
1 Petrus 4:2-4
2 Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven. 3 Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen; 4 Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren.
Ook hier gaat het om wijnzuiperijen en brasserijen, dezelfde overmaat die de hele Schrift veroordeelt, niet om de beker bij de maaltijd.
En dan komt het vers dat het sektarische, anti-alcohol fundamentalisme definitief onderuithaalt:
1 Timotheüs 5:22-23
22 Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein. 23 Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn (oinos), om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.
Een geïnspireerd apostel gebiedt hier een gelovige om wijn te gaan drinken, in dezelfde adem waarin hij Timotheos (Timotheüs) aanspoort zichzelf rein te bewaren. Wanneer wijn een zonde was, zou Sha'ul tot zonde aansporen, en dat is onmogelijk. En hij vat de hele bijbelse grens samen in één vers: niet de wijn is het probleem, maar het dronken worden en de mogelijke wandaden die hieruit voortkomen.
Efeze 5:17-19
17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij. 18 En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest; 19 Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liedekens, zingende en psalmende den Heere in uw hart.
Van Malkitsedek tot Kana, van yayin tot oinos, van Noach tot Timotheos, loopt één en dezelfde boodschap. De wijn is een gave van God, bestemd om het hart te verheugen, en tegelijk een gave die de mens niet mag misbruiken. Elke tekst die tegen drank waarschuwt, blijkt bij nadere lezing te waarschuwen tegen de overmaat, de verslaving en het misbruik, nooit tegen het matige gebruik zelf. De veroordeling van het matige gebruik staat nergens in de Schrift geschreven. Zij is, van het eerste boek tot het laatste, een menselijke toevoeging die de Eeuwige nooit gegeven heeft.