Slotwoord

Wij hebben de gehele Schrift doorlopen, van de eerste wijngaard van Noach tot de laatste belofte van Malachi, en van de beker van Malkitsedek tot de beker van het nieuwe verbond. Overal troffen wij hetzelfde patroon aan. De Thora stond wijn en sterke drank uitdrukkelijk toe, tot in het feest voor het aangezicht van de Eeuwige. De profeten prezen de most als teken van Zijn zegen en betreurden het verlies ervan als vloek. Het boek Spreuken waarschuwde scherp, maar telkens tegen hen die bij de fles bleven hangen, nooit tegen hen die er verzadigd van opstonden. En Yeshua dronk niet slechts wijn, Hij schonk haar in overvloed op een bruiloft en verhief haar tot teken van Zijn eigen bloed. 

Wie na dit alles nog volhoudt dat de Bijbel het matige gebruik verbiedt, verkondigt een menselijke inzetting die de Eeuwige nooit heeft laten optekenen. De Schrift tracht ons te bewegen tot een matig gebruik, niet tot krampachtige onthouding. 

Maar wie deze conclusie leest als een vrijbrief om zich te buiten te gaan aan drank, heeft de studie helaas niet begrepen. 

Want dezelfde Schrift die de wijn zegent, beschrijft onbarmhartig wat er gebeurt met wie zich eraan overgeeft. Wij zagen Noach ontbloot in zijn tent liggen. Wij zagen hoe Lot twee nachten achtereen niets merkte van wat er met hem gebeurde. Wij zagen Naval sterven en Belshatsar het schrift aan de wand lezen. Dat zijn geen losse voorvallen, maar een patroon dat door heel de Bijbel heen loopt, en dat wij niet mogen wegpoetsen omdat het ons betoog niet zou uitkomen. 

Het scherpst klinkt de waarschuwing bij Shlomo, die het einde van deze weg beschrijft alsof hij het zelf heeft aangezien. 

Spreuken 23:33-35 

33 Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken. 34 En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt. 35 Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog wederom zoeken! 

Lees die laatste woorden van deze indrukwekkende spreuk nauwkeurig: hier spreekt de verslaafde zelf. Hij is geslagen en heeft het niet gevoeld, hij weet niet eens wanneer hij weer bij zinnen komt, en het enige waar zijn gedachten naar uitgaan is de volgende beker. Dit is geen vrolijk hart meer, dit is gevangenschap. Sha'ul vat dat beginsel samen in één zin die boven elke discussie over drank uitstijgt. 

1 Korinthe 6:12 

Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen. 

Daar ligt de grens. Niet bij de vraag of iets geoorloofd is, maar bij de vraag wie de heerschappij behoudt. Wie merkt dat de drank hem begint te sturen in plaats van andersom, mag zich niet verschuilen achter de vrijheid die de Schrift geeft. Voor die mens is onthouding geen wetticisme maar wijsheid, en zelfs noodzaak. De gelovige die zijn glas wegzet omdat hij zichzelf kent, doet iets volstrekt anders dan de farizeeër die anderen een gebod oplegt dat de Eeuwige nooit gaf. 

Er is bovendien iets veranderd sinds de dagen van de Schrift, en dat verdient bijzondere aandacht, juist na hetgeen wij in het vorige hoofdstuk hebben vastgesteld. 

Wie in bijbelse tijden dronken wilde worden, moest daar bewust moeite voor doen. De wijn was door de natuur zelf begrensd en werd bovendien vaak met water aangelengd voordat men haar dronk. Dronkenschap vereiste daarom volume, tijd en volharding. Men raakte niet per ongeluk beschonken aan de maaltijd, men werkte er doelbewust naartoe. Precies daarom kon de Schrift de dronkaard zo hard aanspreken, want zijn toestand verried een keuze die hij vele malen herhaald had. En dat verklaart eveneens waarom drank in de Schrift zo vaak als wapen verschijnt, in de handen van de dochters van Lot en van David tegenover Uriyah. Iemand dronken voeren was geen ongeluk, maar een vooropgezet plan. 

Vandaag ligt dat anders, maar niet ten goede. De gebrande dranken die men nu kent, zijn vele malen sterker dan alles wat de Schrift ooit heeft gezien. Wat vroeger een avond van bewuste volharding vergde, past nu in enkele glazen. Daarmee is de drempel naar de roes niet hoger geworden maar juist veel lager, en kan iemand de grens overschrijden voordat hij zelf doorheeft dat hij haar naderde. 

Wie hieruit afleidt dat de moderne drinker daarom minder schuld draagt, redeneert echter verkeerd. Het tegendeel is waar. Juist omdat de val vandaag zoveel sneller komt, rust op de gelovige van deze tijd een grotere waakzaamheid dan op zijn voorvaderen. Zij moesten zich inspannen om te dwalen, wij moeten ons inspannen om niet te dwalen. Dat is geen verzachtende omstandigheid, maar een verzwaarde opdracht. 

De wijn is en blijft een gave van de Eeuwige, gegeven om het hart van de mens te verheugen. Wie haar met dankbaarheid en met mate gebruikt, hoeft zich door niemand te laten veroordelen, want de Eeuwige heeft dat gebruik nooit verboden. Maar wie haar tot heer over zijn leven maakt, verspeelt de zegen en oogst de vloek, en ook dat heeft de Eeuwige nooit verzwegen. 

Laat daarom niemand toevoegen aan wat geschreven staat, en laat evenmin iemand lichtvaardig omgaan met wat geschreven staat. De vrijheid van het Woord is geen uitnodiging tot losbandigheid, en de heiligheid van het Woord is geen aanleiding tot wetticisme. Tussen die twee dwalingen loopt de smalle weg die de Schrift van Genesis tot Openbaring wijst: gebruik met dankbaarheid wat de Eeuwige geeft, en laat u door niets en niemand beheersen dan door Zijn Geest alleen.