Het Onze Vader

Een gebed uit de Thora, gesproken in het Grieks 

Wie het Onze Vader wil verstaan, moet eerst weten wie het hoorden. Het waren geen theologen met een bibliotheek achter zich. Het waren dagloners uit Galilea, vissers, pachters, mensen die 's morgens uitgingen omdat er die avond gegeten moest worden. De Thora zelf beschermt precies deze mensen, want Leviticus 19:13 en Deuteronomium 24:14-15 gebieden dat het loon van de dagloners dezelfde dag wordt uitbetaald, voordat de zon ondergaat, omdat zij daarop hun leven zetten. Brood werd dagelijks gebakken. Voorraad was er nauwelijks bij wie van zijn dagloon leefde. Schuld was destijds daarom geen boekhoudkundige term die voortkwam uit leningen voor nutteloze doeleinden. Men leende omdat de oogst mislukte en er koren gekocht moest worden om in leven te blijven, omdat er zaad nodig was voor het volgende seizoen, omdat de belasting van de koning moest worden opgebracht of omdat de kostwinner was gestorven en er niets overbleef dan de akker en de kinderen als onderpand. Schuld in de bijbelse tijden was daarmee een macht die een mens in dienstbaarheid kon brengen. 

In die wereld werd er ook gebeden op vaste tijden. De profeet Daniyyel (Daniël) boog driemaal daags de knieën richting Jeruzalem en in de vroege gemeente lezen wij nog over de ure des gebeds (Handelingen 3). Iedere leraar leerde zijn leerlingen een gebed en juist daarom vraagt een discipel in Lukas 11:1 om een gebed zoals Yochanan (Johannes) het zijn leerlingen had gegeven. Yeshua (Jezus) antwoordt met woorden die geen enkele hoorder als nieuw ervoer. Zij herkenden Zijn woorden van de enige gezaghebbende Schriften die vandaag de dag nog steeds relevant zijn voor het dagelijks leven. Juist hierom benoemt Yeshua de Thora en de Profeten als de absolute basis voor het dagelijks leven en zal Hij daarom ook het Onze Vader hieruit onderwijzen. 

Mattheüs 5:17-20 

17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Thora of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Thora voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. 

De tekst in de Statenvertaling 

Het gebed staat daarom niet op zichzelf en het is geen losse formule die men uit het hoofdstuk kan lichten. Het staat midden in een onderwijzing waarin Yeshua drie vormen van godsdienst achter elkaar behandelt, namelijk het geven van aalmoezen, het bidden en het vasten, en bij alle drie stelt Hij dezelfde vraag: 

Voor wiens ogen wordt dit gedaan? 

Wie bidt om gezien te worden heeft zijn loon reeds ontvangen op het moment dat men naar hem kijkt, want dat was waar hij om vroeg. Wie bidt in de binnenkamer vraagt om iets anders en ontvangt daarom ook iets anders. Pas nadat die vraag is beslecht volgt het gebed zelf, en dat is geen toeval. Het Onze Vader wordt niet gegeven als tekst om op te zeggen maar als antwoord op de vraag hoe een mens spreekt wanneer er niemand meekijkt. 

Mattheüs 6:5-15 

5 En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne in de synagogen en op de hoeken der straten staande te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. 7 En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden. 8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. 9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. 10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijks brood. 12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. 13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen. 14 Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. 15 Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven. 

Lukas bewaart hetzelfde gebed in een kortere vorm en de aanleiding die hij noemt is een andere. Daar wordt niet onderwezen over huichelarij maar wordt een vraag gesteld, en die vraag komt van een discipel die Yeshua heeft zien bidden en wacht tot Hij ophoudt. Wat hij vraagt is bovendien niet algemeen. Hij vraagt om een gebed zoals Yochanan het zijn leerlingen had gegeven, wat laat zien dat een leraar in die dagen zijn kring herkenbaar maakte aan de woorden waarmee zij tot de Allerhoogste naderden. De kortere vorm bij Lukas mist de aanspraak van de hemelse woonplaats niet, maar wel enkele uitbreidingen die Mattheüs bewaart. Of dit een tweede gelegenheid betreft dan wel dezelfde gebeurtenis in een andere overlevering, wordt door de tekst zelf niet beslist en wordt hier daarom niet ingevuld. 

Lukas 11:1-4 

1 En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft. 2 En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. 3 Geef ons elken dag ons dagelijks brood. 4 En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. 

Woord vooraf over de grondtekst 

Voordat we de grondtekst van dit bijzondere gebed gaan observeren, dienen we te begrijpen hoe dit wordt weergegeven in de oorspronkelijke tekst en de woordenboeken. Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon, getal en functie. Een werkwoord dat in het woordenboek in zijn grondvorm staat, verschijnt in het vers als gebod, als wens of als voltooide handeling. Wie beide vormen naast elkaar ziet, moet dus niet denken aan een fout. Hij ziet de wortel en daarnaast de gestalte die deze wortel in dit ene vers heeft aangenomen. 

De verhouding tot de Thora en de Profeten 

Wie het Onze Vader zin voor zin naast de Schriften legt, ontdekt iets verrassends. Er staat geen enkele zin in die daar niet reeds klonk. De aanspraak, de heiliging van de Naam, het Koninkrijk, het brood, de kwijtschelding en de beproeving hebben alle een thuis in de Thora en bij de Profeten. Wij lopen ze hier één voor één langs, zodat we duidelijk kunnen maken dat het Onze Vader geen nieuw christelijk gebed was, maar een vorm van hetgeen al sinds de oude tijden bestond. 

Mattheüs 6:9 

Onze Vader, Die in de hemelen zijt 

De aanspraak is geen uitvinding van het Nieuwe Testament. Zij staat al in het lied van Moshe (Mozes) en zij staat bij de profeten, waar zij bovendien verbonden wordt met de hemel waaruit de Allerhoogste neerziet. 

Deuteronomium 32:6 

Zult gij dit de Eeuwige vergelden, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft? 

Jesaja 63:15-16 

15 Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in. 16 Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; Gij, o Eeuwige! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. 

Het woord Vader is in deze passage van Yeshayahu (Jesaja) vertaald vanuit het Hebreeuwse woord אָב‎ (av) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: vader, verwekker, stamhoofd, degene die het huis draagt en verantwoordelijk is voor allen die daarin wonen. De aanspraak is dus een erkenning van gezag voordat zij een uitdrukking van genegenheid is. 

Mattheüs 6:9 

Uw Naam worde geheiligd 

Hier raakt het gebed rechtstreeks aan een gebod uit de Thora. Het heiligen van de Naam is geen vrome wens maar een verplichting die met sancties omgeven is. 

Leviticus 22:31-33 

31 Daarom zult gij Mijn geboden houden, en dezelve doen; Ik ben de Eeuwige! 32 En gij zult Mijn heiligen Naam niet ontheiligen, opdat Ik in het midden der kinderen Israëls geheiligd worde; Ik ben de Eeuwige, Die u heilige! 33 Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik u tot een God zij; Ik ben de Eeuwige! 

Het woord geheiligd is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord וְנִקְדַּשְׁתִּי‎ (venikdashti), gevormd uit de wortel קדשׁ‎ (qadash), en kan ook wel vertaald worden als afgezonderd worden, apart gezet worden, onttrokken worden aan alledaags gebruik. Let op de richting van de zin. De Eeuwige wordt geheiligd in het midden van het volk en dat gebeurt volgens vers 31 door het houden van de geboden. Het heiligen van de Naam, is in de Thora dus een daad en een manier van leven, geen stemming die afhankelijk is van het sentiment. 

De profeet Yechezkel (Ezechiël) neemt precies deze taal over wanneer hij spreekt over het herstel. 

Ezechiël 36:22-24 

22 Daarom zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Almachtige, de Eeuwige: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls! maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen zijt. 23 Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, spreekt de Almachtige, de Eeuwige, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn. 24 Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. 

Mattheüs 6:10 

Uw Koninkrijk kome
 

Psalm 145:11-13 

11 Caph. Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken. 12 Lamed. Om den mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks. 13 Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht. 

Het woord Koninkrijk is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord מַלְכוּת‎ (malkut) en laat zich ook graag vertalen als koningschap, heerschappij, regeermacht, het daadwerkelijk uitoefenen van bestuur. Het gaat niet in de eerste plaats om een gebied maar om een regering die gehoorzaamd wordt. In dit geval gaat het om de soevereine autoriteit van de Eeuwige, Die in het hart van Zijn kinderen wil wonen en ook in het nieuwe tijdperk zichtbaar zal worden op de aarde. 

Mattheüs 6:10 

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde 

Psalm 103:19-21 

19 De Eeuwige heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles. 20 Looft de Eeuwige, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords. 21 Looft de Eeuwige, al Zijn heirscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet! 

Hier staat de maatstaf van het gebed. In de hemelen geschiedt Zijn wil doordat Zijn woord gedaan wordt. Wie bidt dat het op aarde zo zal zijn als in de hemel, bidt om een aarde waarop Zijn woord gedaan wordt. 

Mattheüs 6:11 

Geef ons heden ons dagelijks brood 

Exodus 16:4-5 

4 Toen zeide de Eeuwige tot Mozes: Zie, Ik zal voor ulieden brood uit den hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag; opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn Thora ga, of niet. 5 En het zal geschieden op den zesden dag, dat zij bereiden zullen hetgeen zij ingebracht zullen hebben; dat zal dubbel zijn boven hetgeen zij dagelijks zullen verzamelen. 

Drie zinnen van het Onze Vader raken elkaar in dit ene vers uit de Thora. Er is brood dat uit de hemel komt en dus niet door de ontvanger wordt voortgebracht. Er is een dagmaat die aan haar eigen dag gebonden blijft, waarbij het verzamelen van meer dan die dag vraagt geen zegen oplevert maar bederf, zoals de verzen daarna laten zien. En er is een beproeving die uitwijst of men in Zijn Thora wandelt, want de vraag of iemand vertrouwt dat er morgen opnieuw brood ligt, is precies de vraag of hij zich aan het voorschrift houdt. 

Daarmee ligt hier de hele gedachte van het gebed al vast voordat het in Mattheüs wordt uitgesproken. Bidden om het brood van vandaag is geen bescheiden formulering van een grotere wens. Het is de erkenning dat de voorziening dagelijks gegeven wordt en dagelijks opnieuw gevraagd moet worden. Wie een voorraad aanlegt, onttrekt zich niet alleen aan de afhankelijkheid, hij onttrekt zich ook aan de toets die de Eeuwige in het vers zelf benoemt. 

Deuteronomium 8:2-3 

2 En gij zult gedenken aan al den weg, dien u de Eeuwige, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet. 3 En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des Eeuwigen mond uitgaat. 

Tevens is de vraag om het dagelijks brood een hunkering naar de Thora. Brood staat namelijk symbool voor Zijn Woorden, waardoor de mens werkelijk leert leven. 

Mattheüs 6:12 

Vergeef ons onze schulden 

De schuldvergeving in het gebed is geen algemene mildheid. Zij heeft een wetsartikel als achtergrond. 

Deuteronomium 15:1-2 

1 Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken. 2 Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den Eeuwige een vrijlating heeft uitgeroepen. 

Het woord vrijlating is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord שְׁמִטָּה‎ (shemittah), gevormd uit de wortel שׁמט‎ (shamat), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: laten vallen, loslaten, de hand van iets aftrekken, kwijtschelden. De schuld verdwijnt niet omdat zij nooit bestond. Zij wordt losgelaten door hem die haar had kunnen opeisen. 

Mattheüs 6:13 

Leid ons niet in verzoeking 

Exodus 17:5-7 

5 Toen zeide de Eeuwige tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen. 6 Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, en er zullen wateren uitgaan, dat het volk drinke. En Mozes deed alzo voor de ogen der oudsten van Israël. 7 En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist der kinderen Israëls, en omdat zij de Eeuwige verzocht hadden, zeggende: Is de Eeuwige in het midden van ons, of niet? 

De plaatsnaam Massa is vertaald vanuit het Hebreeuwse woord מַסָּה‎ (Massah), gevormd uit de wortel נסה‎ (nasah), en kan ook wel vertaald worden als beproeving, toetsing, het op de proef stellen. De naam van de plaats is dus het woord van het gebed. 

De Griekse grondtekst van het gebed 

Het woord geheiligd is vertaald vanuit het Griekse woord ἁγιασθήτω‎ (hagiasthētō), gevormd uit ἁγιάζω‎ (hagiazō), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: heiligen, afzonderen, als heilig behandelen, aan gewoon gebruik onttrekken. De vorm is lijdend en gebiedend tegelijk. Er wordt niet gehoopt dat de Naam misschien geheiligd wordt. Er wordt gevraagd dat het gebeurt. 

Het woord Naam is vertaald vanuit het Griekse woord ὄνομα‎ (onoma) en laat zich ook graag vertalen als naam, reputatie, openbaar geworden identiteit, dat waarmee iemand bekendstaat. Ditzelfde Griekse woord staat in de Septuaginta stelselmatig waar het Hebreeuws שֵׁם‎ (shem) heeft. 

Het woord Koninkrijk is vertaald vanuit het Griekse woord βασιλεία‎ (basileia) en kan ook wel vertaald worden als koningschap, koninklijke waardigheid, regeermacht. Het woord kome is vertaald vanuit het Griekse woord ἐλθέτω‎ (elthetō), opnieuw een gebiedende vorm, wat betekent dat de bidder om een regeringswisseling vraagt. 

Het woord wil is vertaald vanuit het Griekse woord θέλημα‎ (thelēma) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: wil, welbehagen, besluit, dat wat iemand verordend heeft. In de Septuaginta staat dit woord herhaaldelijk waar het Hebreeuws רָצוֹן‎ (ratson) heeft, dat het welbehagen aanduidt dat in geboden wordt uitgedrukt. 

Het woord dagelijks is vertaald vanuit het Griekse woord ἐπιούσιον‎ (epiousion) en laat zich ook graag vertalen als voor de komende dag bestemd, het rantsoen dat bij deze dag hoort, het noodzakelijke. Dit woord is zeldzaam in het Grieks en over de precieze afleiding wordt tot op heden gediscussieerd. Wat vaststaat is de betekenisrichting. Het gaat om een portie die aan één dag gebonden is, precies zoals de dagmaat van het Man. 

Het woord schulden is vertaald vanuit het Griekse woord ὀφειλήματα‎ (opheilēmata) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: dat wat verschuldigd is, openstaande verplichting, geleend bedrag dat teruggegeven moet worden. Lukas laat zien hoe dicht schuld en zonde in de taal van die dagen bij elkaar lagen, want hij schrijft in hetzelfde vers eerst ἁμαρτίας‎ (hamartias) voor zonden en vervolgens ὀφείλοντι‎ (opheilonti) voor wie schuldig is. Beide begrippen vallen daar samen in één regel. 

Het woord vergeef is vertaald vanuit het Griekse woord ἄφες‎ (aphes), gevormd uit ἀφίημι‎ (aphiēmi), en kan ook wel vertaald worden als loslaten, laten gaan, kwijtschelden, niet langer vasthouden. Dat is dezelfde beweging als de Hebreeuwse wortel שׁמט‎ (shamat) van het sabbatsjaar. 

Het woord verzoeking is vertaald vanuit het Griekse woord πειρασμόν‎ (peirasmon) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: beproeving, toetsing, de proef waarin blijkt waaruit iemand bestaat. 

Het woord verlos is vertaald vanuit het Griekse woord ῥῦσαι‎ (rhusai) en laat zich ook graag vertalen als wegtrekken, uit de greep halen, met kracht wegrukken uit een macht die vasthoudt. 

Het woord boze is vertaald vanuit het Griekse woord πονηροῦ‎ (ponērou) en kan ook wel vertaald worden als het kwade, de kwaadaardige, het verdorvene. De Griekse vorm laat beide lezingen toe en daarom wordt hier niet ingevuld wat de tekst zelf openlaat. 

Wat de Septuaginta zichtbaar maakt 

Wie de Griekse vertaling van het Oude Testament naast het Onze Vader legt, ziet de bewoording terugkeren omdat dit bijzondere gebed ons in het Grieks is overgeleverd in het Nieuwe Testament. De teksten staan hieronder in de Statenvertaling. Hierbij worden alleen de woorden vermeld die werkelijk overeenkomen met het Griekse woord van de Septuaginta. 

Leviticus 22:32 

En gij zult Mijn heiligen Naam (ὄνομα‎ onoma) niet ontheiligen, opdat Ik in het midden der kinderen Israëls geheiligd worde (ἁγιασθήσομαι‎ hagiasthēsomai); Ik ben de Eeuwige, Die u heilige! 

Mattheüs 6:9 

Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam (ὄνομα‎ onoma) worde geheiligd (ἁγιασθήτω‎ hagiasthētō). 

Hetzelfde werkwoord, dezelfde lijdende vorm, dezelfde koppeling aan de Naam. De Thora zegt dat het gebeuren zal, het gebed vraagt dat het gebeurt. 

Ezechiël 36:23 

Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen (ἁγιάσω τὸ ὄνομά μου τὸ μέγα‎ hagiasō to onoma mou to mega), die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, spreekt de Almachtige, de Eeuwige, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn (ἐν τῷ ἁγιασθῆναί με ἐν ὑμῖν‎ en tō hagiasthēnai me en humin). 

Het gebed van het Onze Vader is het gebed van de profeet in de mond van de bidder gelegd. 

Exodus 16:4 

Toen zeide de Eeuwige tot Mozes: Zie, Ik zal voor ulieden brood (ἄρτους‎ artous) uit den hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag (τὸ τῆς ἡμέρας εἰς ἡμέραν‎ to tēs hēmeras eis hēmeran); opdat Ik het verzoeke (πειράσω‎ peirasō), of het in Mijn Thora ga, of niet. 

Mattheüs 6:11-13 

11 Geef ons heden ons dagelijks (ἐπιούσιον‎ epiousion) brood (ἄρτον‎ arton). 12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. 13 En leid ons niet in verzoeking (πειρασμόν‎ peirasmon), maar verlos ons van den boze. 

De Griekse Thora bindt in één zin het brood, de dag en de beproeving aan elkaar. Het gebed doet hetzelfde in twee opeenvolgende beden en het woord dat de Statenvertaling met dagelijks weergeeft draagt in het Grieks precies de gedachte van de dagmaat op haar dag. 

Exodus 17:7 

En hij noemde den naam dier plaats Massa (Πειρασμός‎ Peirasmos) en Meriba, om de twist der kinderen Israëls, en omdat zij de Eeuwige verzocht hadden, zeggende: Is de Eeuwige in het midden van ons, of niet? 

De bede om niet in verzoeking geleid te worden krijgt hiermee een adres in de woestijn, want de plaats draagt in het Grieks letterlijk het woord van de bede als naam. 

Deuteronomium 15:2 

Dit nu is de zaak der vrijlating (ἀφέσεως‎ apheseōs), dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate (ἀφήσεις‎ aphēseis); hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den Eeuwige een vrijlating heeft uitgeroepen. 

Mattheüs 6:12 

En vergeef (ἄφες‎ aphes) ons onze schulden (ὀφειλήματα‎ opheilēmata), gelijk ook wij vergeven (ἀφήκαμεν‎ aphēkamen) onzen schuldenaren (ὀφειλέταις‎ opheiletais). 

Beide werkwoordstammen staan in beide teksten. De Griekse Thora spreekt over het loslaten van wat de naaste verschuldigd is en het gebed vraagt om precies dat loslaten met precies die woorden. Wie in Mattheüs 6:12 bidt, spreekt het sabbatsjaar uit over zijn eigen schuldenaar. 

Psalm 103:21, in de Septuaginta genummerd als Psalm 102 

Looft de Eeuwige, al Zijn heirscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen (θέλημα‎ thelēma) doet (ποιοῦντες‎ poiountes)! 

Mattheüs 6:10 

Uw Koninkrijk kome. Uw wil (θέλημα‎ thelēma) geschiede (γενηθήτω‎ genēthētō), gelijk in den hemel (οὐρανῷ‎ ouranō) alzo ook op de aarde (γῆς‎ gēs). 

De psalm beschrijft de hemel als de plaats waar Zijn wil daadwerkelijk gedaan wordt door hen die Zijn woord doen. Het gebed vraagt om diezelfde toestand op aarde en gebruikt daarvoor hetzelfde Griekse woord. 

Psalm 145:13, in de Septuaginta genummerd als Psalm 144 

Uw Koninkrijk (βασιλεία‎ basileia) is een Koninkrijk (βασιλεία‎ basileia) van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht. 

Mattheüs 6:10 

Uw Koninkrijk (βασιλεία‎ basileia) kome (ἐλθέτω‎ elthetō). 

Het woord van de tweede bede blijkt in de Griekse psalmen volledig thuis te zijn en behoeft daar geen introductie. 

1 Kronieken 29:11-12 

11 Uw, o Eeuwige, is de grootheid, en de macht (δύναμις‎ dunamis), en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in den hemel en op aarde is, is Uw: Uw, o Eeuwige, is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. 12 En rijkdom, en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht. 

Mattheüs 6:13 

Want Uw is het Koninkrijk (βασιλεία‎ basileia), en de kracht (δύναμις‎ dunamis), en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen. 

De drieslag Koninkrijk, kracht en heerlijkheid vindt hier haar inhoudelijke thuis en het Griekse woord voor kracht staat ook in de Septuaginta van deze passage. De overige woorden lopen echter niet woordelijk gelijk, want de Griekse Kronieken kiest voor deze lofprijzing een eigen woordkeus. Dit wordt daarom een zinspeling genoemd en niet een citaat. Wat wel vaststaat is dat de slotwoorden van het Onze Vader in de Statenvertaling geen vreemd element zijn maar de taal van het gebed van David. 

De sleutel die de Kerk heeft weggelegd 

In dezelfde Bergrede, slechts één hoofdstuk voor dit gebed, staat Mattheüs 5:17-20. Daarvan is het bekend dat er wordt vastgelegd dat geen jota en geen tittel voorbijgaat en dat wie het minste gebod ontbindt de minste zal heten. Wie dat weglegt en vervolgens bidt dat Zijn wil geschiedt op aarde zoals in de hemel, vraagt om de uitvoering van datgene waarvan hij tegelijk verklaart dat het is afgeschaft. Het gebed en de afschaffing kunnen niet in dezelfde mond wonen. 

Blijft er dan nog iets van die wil over wanneer de geboden zijn opgeheven? 

Nee. 

De Schrift laat de vraag niet open. In Leviticus 22:31-32 wordt de Naam geheiligd door het houden van de geboden. In Exodus 16:4 is het dagelijkse brood zelf een toets of men in Zijn volmaakte wet wandelt. In Deuteronomium 15:2 is de vergeving die men zijn schuldenaar schenkt een voorschrift uit de wetgeving. De heiliging van de Naam, het brood van vandaag en de kwijtschelding van schuld liggen alle drie rechtstreeks in de Thora verankerd, en Psalm 103:20-21 laat daarbovenop zien dat de hemelse dienaars Zijn wil doen door Zijn woord uit te voeren. 

Dit is de aanklacht en zij komt niet van een mens. Zij komt uit de Griekse tekst die de Kerk zelf als haar eigen bezit beschouwt. Het Onze Vader is eeuwenlang gebeden in gebouwen waar tegelijk werd geleerd dat de Thora had afgedaan. Men vroeg om de heiliging van de Naam, terwijl het gebod dat die heiliging voorschrijft, was afgevoerd. Men vroeg om de uitvoering van Zijn wil, terwijl men de tekst waarin die wil is opgeschreven tot een gepasseerd station had verklaard. Men vroeg om kwijtschelding met de werkwoorden van het sabbatsjaar, terwijl men het sabbatsjaar zelf niet meer kende. 

Dat verwijt richt zich niet op de gelovige die oprecht knielt met de onwetendheid die hem is aangereikt. Hij bidt in oprechtheid met de woorden die hij heeft gekregen en hij kan niet weten wat hem nooit is verteld. Het verwijt richt zich op wie deze verbanden kende en ze niet doorgaf. De Schrift zelf maakt dat onderscheid tussen dwaling uit onwetendheid en handelen tegen beter weten in en dat onderscheid blijft hier staan. Wie de grondtekst voor zich had liggen en de gemeente een gebed liet uitspreken waarvan hij de wortels had doorgesneden, draagt een verantwoordelijkheid die de biddende man nooit zal worden aangerekend. 

Het Onze Vader is nooit losgekomen van de Thora. Het is de Thora, in enkele zinnen samengebald, uitgesproken door de Messias in de taal van dagloners, die begrepen wat het is om te leven van het brood van vandaag.