Wat eist God van ons?
Deuteronomium 10:12-16 en Micha 6:6-8 

Er zijn woorden in de Schrift die zo helder klinken dat men ze eeuwenlang heeft kunnen citeren zonder ze ooit werkelijk te lezen. Twee daarvan staan hier naast elkaar. De ene klinkt in de vlakte van Moab, gesproken door Moshe (Mozes) tegen een volk dat op het punt staat het land binnen te gaan. De andere klinkt eeuwen later uit de mond van Micha, tegen een volk dat datzelfde land bewoont, maar niet meer weet langs welke weg het daar gekomen is. Beide stellen exact dezelfde vraag. Beide geven exact hetzelfde antwoord. En beide worden vandaag aangehaald door mensen die precies het tegenovergestelde bedoelen van wat er staat. 

Deuteronomium 10:12-16 

12 Nu dan, Israël! wat eist de Eeuwige, uw God van u, dan de Eeuwige, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en de Eeuwige, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel; 13 Om te houden de geboden van de Eeuwige, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede. 14 Ziet, van de Eeuwige, uw God, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is. 15 Alleenlijk heeft de Eeuwige lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is. 16 Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. 

De vraag wordt gesteld en onmiddellijk beantwoord. De Allerhoogste eist van Zijn volk dat zij Hem vrezen en in Zijn wegen wandelen, zodat zij Hem werkelijk liefhebben en dienen met een oprecht hart. En dan volgt vers dertien, dat deze vier begrippen vastzet in iets tastbaars: het houden van de geboden en de inzettingen. 

De profeet Micha roept de afgedwaalde Israëlieten daarom op om terug te keren naar deze weldadigheid en nederigheid, zodat de relatie tussen mens en God hersteld kan worden. 

Micha 6:6-8 

6 Waarmede zal ik de Eeuwige tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? 7 Zou de Eeuwige een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? 8 Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de Eeuwige van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? 

Let op wat de vraagsteller die Micha opvoert in vers zeven bereikt heeft. Hij begint bij kalveren, klimt op naar duizenden rammen, stijgt door naar olie die bij hele beken tegelijk wordt gerekend en eindigt bij het offeren van zijn eerstgeborene. Dat laatste is geen vrome overdrijving. Dat is de praktijk van de volken rondom, uitdrukkelijk verboden in de Thora. De opklimming laat zien waar het religieuze rekensommetje eindigt wanneer men denkt dat God met kwantiteit te overtuigen valt. Micha kapt die hele ladder om met één zin, waarin hij Deuteronomium tien terugroept met werkwoorden van Moshe zelf. 

 

Deuteronomium 10:12-16
vanuit het Hebreeuwse perspectief
 

Deuteronomium 10:12-16 

12 Nu dan, Israël! wat eist (שֹׁאֵל‎, sho'el) de Eeuwige, uw God van u, dan de Eeuwige, uw God, te vrezen (לְיִרְאָה‎, leyir'ah), in al Zijn wegen (דְּרָכָיו‎, derachav) te wandelen (לָלֶכֶת‎, lalechet), en Hem lief te hebben (וּלְאַהֲבָה‎, ule'ahavah), en de Eeuwige, uw God, te dienen (וְלַעֲבֹד‎, vela'avod), met uw ganse hart (לְבָבְךָ‎, levavcha) en met uw ganse ziel (נַפְשֶׁךָ‎, nafshecha); 13 Om te houden (לִשְׁמֹר‎, lishmor) de geboden (מִצְוֺת‎, mitzvot) van de Eeuwige, en Zijn inzettingen (חֻקֹּתָיו‎, chukkotav), die ik u heden gebiede, u ten goede. 14 Ziet, van de Eeuwige, uw God, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is. 15 Alleenlijk heeft de Eeuwige lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is. 16 Besnijdt dan de voorhuid (עָרְלַת‎, orlat) uws harten (לְבַבְכֶם‎, levavchem), en verhardt uw nek niet meer. 

Om een beter besef te krijgen van hetgeen er van ons geëist wordt, dienen we de tekst niet alleen vanuit de Nederlandse vertaling te lezen, maar onszelf juist open te stellen voor de diepte van de Hebreeuwse tekst. Daarbij is het goed te weten dat het Hebreeuws zijn woorden verbuigt naar tijd, persoon en functie in de zin. De vorm die in het vers staat verschilt daardoor vaak van de wortel waaronder het woord in een woordenboek is terug te vinden. Beide worden hieronder genoemd, zodat zichtbaar blijft wat er werkelijk geschreven staat. 

Het woord eist staat in vers twaalf als שֹׁאֵל‎ (sho'el), het deelwoord van de wortel שָׁאַל‎ (sha'al), en kan ook wel vertaald worden als vragen, verzoeken, navragen, te leen vragen. De grondtekst kent hier geen dwangbevel maar een vraag van een Vader die vraagt wat Hij allang gegeven heeft. Wie hier het woord eist leest als tirannie, leest de klank van zijn eigen achterdocht. 

Het woord vrezen staat er als לְיִרְאָה‎ (leyir'ah), de onbepaalde wijs van de wortel יָרֵא‎ (yare), en laat zich ook graag vertalen als ontzag hebben, eerbiedigen, diep respect tonen. Het is de houding van iemand die weet voor Wie hij staat, niet de kramp van iemand die wegkruipt. 

Het woord wandelen staat er als לָלֶכֶת‎ (lalechet), gevormd uit de wortel הָלַךְ‎ (halach), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: gaan, lopen, een levenswandel voeren, zich voortbewegen langs een weg. Uit deze wortel groeit het hele begrip van de levenspraktijk. Wandelen is geen gevoel. Wandelen is een bewuste manier van leven waarin gerichte afwegingen gemaakt worden. Hierin leren we om te gaan met de pijn dat we soms het goede dienen te doen, terwijl onze menselijke gevoelens er soms niet gelijk aan willen geloven. 

Het woord wegen staat er als דְּרָכָיו‎ (derachav), Zijn wegen, het meervoud met bezittelijk achtervoegsel van דֶּרֶךְ‎ (derech), en kan ook wel vertaald worden als weg, route, gebaande baan, wijze van leven. Er staat niet dat men in Zijn richting moet turen. Er staat dat men op Zijn weg moet lopen, en een weg heeft randen. 

Het woord liefhebben staat er als וּלְאַהֲבָה‎ (ule'ahavah), de onbepaalde wijs van de wortel אָהַב‎ (ahav), en laat zich ook graag vertalen als beminnen, toegenegen zijn, verbonden zijn met. In de Thora is dit werkwoord verbondstaal. Het staat nooit los van het onderhouden van wat de Geliefde gezegd heeft. 

Het woord dienen staat er als וְלַעֲבֹד‎ (vela'avod), van de wortel עָבַד‎ (avad), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: werken, arbeiden, dienstbaar zijn, bewerken, aanbidden. Uit dezelfde wortel komt עֶבֶד‎ (eved), de dienstknecht die dag en nacht voor zijn Heer en Meester klaarstaat. 

Het woord hart staat er als לְבָבְךָ‎ (levavcha), uw hart, van לֵבָב‎ (levav), en kan ook wel vertaald worden als hart, binnenste, verstand, wil, overleg. Het Hebreeuwse hart denkt en beslist. Het is de plaats waar keuzes worden gemaakt, niet het orgaan van de sentimentaliteit. 

Het woord ziel staat er als נַפְשֶׁךָ‎ (nafshecha), uw ziel, van נֶפֶשׁ‎ (nefesh), en laat zich ook graag vertalen als leven, adem, persoon, verlangen, de mens zelf. We dienen daarom als mensen goed te beseffen wat wij zeggen wanneer wij belijden dat we de Eeuwige met ons ganse hart en ganse ziel willen dienen. Het betekent namelijk dat wij ons voor Hem willen inzetten met ons gehele innerlijke wezen en met al onze kracht. 

Betekent dat dan dat wij foutloos zijn? 

Nee. 

Het betekent dat we Zijn geboden met alle oprechtheid willen bewaren. 

Het woord houden in vers dertien staat er als לִשְׁמֹר‎ (lishmor), de onbepaalde wijs van de wortel שָׁמַר‎ (shamar), en draagt de volgende betekenissen met zich mee: bewaken, bewaren, behoeden, in acht nemen, ergens de wacht bij houden. Dit is het woord van de wachter op de muur. En wat bewaakt wordt zijn de מִצְוֺת‎ (mitzvot), de geboden, samen met de חֻקּוֹת‎ (chukkot), de inzettingen, die in vers dertien staan als חֻקֹּתָיו‎ (chukkotav), Zijn inzettingen, van de wortel חָקַק‎ (chaqaq), inkerven, ingraveren, in steen uithouwen

Vers zestien sluit de cirkel. Besnijdt de עָרְלַת‎ (orlat), de verbindingsvorm van עָרְלָה‎ (orlah), de voorhuid, van uw לְבַבְכֶם‎ (levavchem), uw hart, van לֵבָב‎ (levav). De besnijdenis van het hart is geen vervanging van de gehoorzaamheid maar de voorwaarde ervoor. Moshe eist hier innerlijkheid van een volk dat uiterlijk allang besneden was. Wie beweert dat de Thora slechts uiterlijk was totdat er een betere godsdienst kwam, heeft Deuteronomium tien nooit opengeslagen. 

 

Micha 6:8 vanuit het Hebreeuwse perspectief 

Micha 6:6-8 

6 Waarmede zal ik de Eeuwige tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? 7 Zou de Eeuwige een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? 8 Hij heeft u bekend gemaakt (הִגִּיד‎, higgid), o mens! wat goed is; en wat eist (דּוֹרֵשׁ‎, doresh) de Eeuwige van u, dan recht (מִשְׁפָּט‎, mishpat) te doen, en weldadigheid lief te hebben (אַהֲבַת חֶסֶד‎, ahavat chesed), en ootmoediglijk (הַצְנֵעַ‎, hatzne'a) te wandelen (לֶכֶת‎, lechet) met uw God? 

Het woord bekend gemaakt staat er als הִגִּיד‎ (higgid), de voltooide vorm van de wortel נָגַד‎ (nagad), en kan ook wel vertaald worden als verkondigen, meedelen, blootleggen, zichtbaar maken tegenover iemand. Micha zegt niet dat God iets nieuws onthult. Hij zegt dat het allang is meegedeeld. De adressering is bekend, de tekst is bekend, de vindplaats is Deuteronomium. 

Het woord eist staat bij Micha als דּוֹרֵשׁ‎ (doresh), het deelwoord van de wortel דָּרַשׁ‎ (darash), en laat zich ook graag vertalen als zoeken, navorsen, opeisen, onderzoeken, raadplegen. Hier ligt een scherpte die de vertaling niet dragen kan. Bij Moshe vraagt de Eeuwige. Bij Micha zoekt Hij, en Hij zoekt niet iets anders dan wat Hij bij Moshe vroeg. Hij komt terugvorderen wat Hij op de vlakte van Moab had uitgezet. 

Het woord recht staat er als מִשְׁפָּט‎ (mishpat) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: rechtspraak, rechterlijke uitspraak, verordening, rechtsinzetting, wat rechtens toekomt. Dit is precies het woord dat de Thora gebruikt voor haar eigen rechtsregels, naast de חֻקּוֹת‎ (chukkot). Recht doen is in het Hebreeuws niet een algemeen gevoel voor rechtvaardigheid. Recht doen is het uitvoeren van de מִשְׁפָּטִים‎ (mishpatim) die in de Thora staan opgeschreven: de eerlijke weegschaal, het onaangeroerde loon van de dagloner, het proces zonder aanzien des persoons, de weduwe die niet wordt uitgeperst. 

Het woord weldadigheid staat er als חֶסֶד‎ (chesed) en kan ook wel vertaald worden als goedertierenheid, verbondstrouw, barmhartigheid, standvastige liefde. Dit is de trouw die men elkaar binnen een verbond schuldig is. Het is geen liefdadigheid van bovenaf maar loyaliteit van binnenuit. En Micha zegt niet dat men het moet doen. Hij zegt אַהֲבַת חֶסֶד‎ (ahavat chesed), men moet het liefhebben, gevormd uit dezelfde wortel אָהַב‎ (ahav) die Moshe gebruikte. 

Het woord ootmoediglijk staat er als הַצְנֵעַ‎ (hatzne'a) en laat zich ook graag vertalen als bescheiden zijn, ingetogen optreden, omzichtig handelen, zich klein houden. Deze wortel komt in heel de Tanach slechts twee keer voor, hier en in Spreuken 11:2 bij de nederigen die wijsheid bezitten. Het is een zeldzaam woord voor een zeldzame houding. 

Het woord wandelen staat bij Micha als לֶכֶת‎ (lechet), gevormd uit dezelfde wortel הָלַךְ‎ (halach) die in Deuteronomium 10:12 als לָלֶכֶת‎ (lalechet) verschijnt, en draagt de volgende betekenissen met zich mee: gaan, voortgaan, een weg bewandelen, leven. Hier valt het masker van de tegenstelling. Micha gebruikt het werkwoord dat Moshe ook gebruikt. Hij vervangt de Thora niet, hij vat haar samen in haar eigen vocabulaire. 

Micha 6:8 is dus geen nieuw gebod. Het is een compressie van Deuteronomium 10:12-13. Recht doen staat waar de geboden en inzettingen stonden. Weldadigheid liefhebben staat waar het liefhebben stond. Ootmoedig wandelen staat waar het vrezen en het gaan in Zijn wegen stonden. Drie regels, gebouwd op vier werkwoorden van Moshe. 

Is Micha hier de Thora aan het inruilen voor iets anders? 

Nee. 

Hij overhandigt haar terug, in een gebalde vuist. 

Hij strekt zijn handen uit naar een volk dat van het juiste levenspad is afgedwaald. 

 

Tot slot 

Wat eist de Eeuwige van Zijn volk? 

Niet duizenden rammen. Niet olie bij beken. Niet het bloed van een kind op een altaar van menselijke vroomheid. En evenmin een gevoel dat zichzelf gerechtigheid noemt zonder ooit te vragen wie dat woord gedefinieerd heeft. 

Hij eist wat Hij op de vlakte van Moab al gezegd had en wat Hij bij monde van Micha kwam terughalen. Ontzag dat weet voor Wie de mens staat. Voeten die op Zijn weg lopen. Een hart dat Hem liefheeft. Handen die dienen. En dat alles vastgezet in het bewaken van Zijn geboden en Zijn inzettingen, u ten goede. 

Vier woorden bij Moshe. Drie bij Micha. Nul verschil.