Shema Israël
Niets toevoegen, niets afdoen

Het Shema is voor zowel karaïeten als Joden het hart van de Schrift en velen weten het uit het hoofd. Toch is Deuteronomium 6:4 het meest bekende Schriftgedeelte wanneer men opstaat om het Shema te citeren. Veel minder bekend is dat de woorden Shema Israël voor het eerst klinken in Deuteronomium 4:1. Hierbij dienen we ons des te meer te realiseren dat de woorden die er omheen beschreven staan minstens zo belangrijk zijn als het citeren van het credo. 

Voordat Moshe (Mozes) het volk oproept om de Eeuwige lief te hebben met heel het hart, legt hij eerst één regel vast over hoe men met Zijn woorden omgaat. Die regel is kort en hij beantwoordt precies de vraag waar zoveel gelovigen mee worstelen. 

Hoe houd je je aan Zijn geboden? Waar begin je? En waaraan merk je dat het misgaat? 

Het antwoord is eenvoudiger dan men denkt. Niet omdat het gemakkelijk is, maar omdat het boek Deuteronomium zo enorm duidelijk is. 

Moshe spreekt in de vlakte van Moab, aan het einde van veertig jaar woestijn. Het volk staat op het punt de Jordaan over te steken en hij weet dat hij niet meegaat. Juist op dat moment, voordat er ook maar één gebod wordt herhaald, legt hij vast wat er met die geboden niet mag gebeuren: 

Deuteronomium 4:1-2 

1 Nu dan, Israël! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de Eeuwige, uwer vaderen God, u geeft. 2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van de Eeuwige, uw God, die ik u gebiede. 

We zien hoe Moshe in vers 1 voor het eerst in de Thora het Shema Israël uitspreekt. Hierin legt hij het fundament van het dagelijks leven voor de gewone Israëliet en zelfs voor de gewone man die vandaag de dag op zoek is naar een gerichte verrijking van zijn geloof. Hij spoort ons allen aan om niet toe te voegen en niet af te doen van de heilzame woorden. 

Datzelfde verbod keert terug in het boek Spreuken, nu in de vorm van een waarschuwing aan de lezer persoonlijk. Wie iets toevoegt, wordt daar niet vroom genoemd maar leugenachtig, en dat is een scherpere aanduiding dan men doorgaans verwacht. 

Spreuken 30:5-6 

5 Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen. 6 Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij bevonden wordt een leugenaar te zijn. 

Eeuwen later legt Yeshua (Jezus) precies deze vinger op de wond. Er komen Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem naar Galilea en zij komen niet met een vraag maar met een aanklacht. Zij hebben gezien dat de leerlingen brood eten zonder de handwassing te verrichten die de overlevering voorschrijft en zij stellen Hem daarover ter verantwoording. 

Let goed op wat zij Hem verwijten. 

Zij zeggen niet dat Zijn leerlingen een gebod van de Eeuwige hebben overtreden, want dat konden zij niet zeggen. Die handwassing staat namelijk nergens beschreven in de Thora. Zij verwijten Hem dat Zijn leerlingen wandelen buiten de overlevering van de ouden en dat is een menselijke traditie die in de loop van de tijd om het gebod heen is gelegd. 

Markus 7:6-9 

6 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Yeshayahu (Jesaja), van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. 7 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen; 8 Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele. 9 En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden. 

Daar zit de hele zaak in besloten. Mensen die van de Thora hun beroep hebben gemaakt, treden op als aanklagers namens een voorschrift dat de Eeuwige nooit heeft gegeven. Zij bewaken de aanbouw en niet het huis. Let daarbij op de laatste zin van het gedeelte. Er staat niet dat zij het gebod verwaarlozen uit onverschilligheid. Er staat dat zij het buiten werking stellen ómdat zij hun eigen inzettingen willen onderhouden. Het één gaat ten koste van het ander en zij hebben er bewust voor gekozen. 

En Yeshua verweert Zich op een heel bijzondere manier. Hij gaat niet uitleggen waarom handen wassen onbelangrijk zou zijn, want dat is het punt niet. Hij draait de aanklacht om en richt haar op de aanklagers, met woorden die zij zelf uit het hoofd kenden. Yeshayahu had die woorden ruim zeven eeuwen eerder uitgesproken over een volk dat de eredienst nog volledig in stand hield terwijl het hart eruit verdwenen was. 

Jesaja 29:13-14 

13 Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn; 14 Daarom, ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstandigen zal zich verbergen. 

Yeshayahu zegt daar iets wat nauwelijks scherper kan. De vreze waarmee dat volk de Eeuwige vreesde, was aangeleerd door mensen. Hun godsdienst was echt in de beleving en vals in de herkomst. En de straf die volgt richt zich niet op de eenvoudige gelovige maar op de wijzen en de verstandigen, dus op hen die het onderwijs beheerden en het hebben laten verworden tot iets van eigen makelij. 

Wanneer Yeshua die woorden aanhaalt, wijst Hij ze niet toe aan een ver verleden. Hij legt ze neer voor de mannen die tegenover Hem staan. 

Verantwoording van de grondtekstmethode 

Het Hebreeuws en het Grieks verbuigen hun woorden naar tijd, persoon, getal en functie. Een woord zoals het in het vers staat ziet er daardoor anders uit dan hetzelfde woord in het woordenboek. Hieronder wordt daarom eerst de vorm genoemd zoals de tekst hem draagt en daarna de wortel waaruit die vorm is opgebouwd. 

De Hebreeuwse grondtekst 

Deuteronomium 4:2 

Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen (תֹסִפוּ‎, tosifu), ook daarvan niet afdoen (תִגְרְעוּ‎, tigre'u); opdat gij bewaart (לִשְׁמֹר‎, lishmor) de geboden (מִצְוֹת‎, mitsvot) van de Eeuwige, uw God, die ik u gebiede. 

Het woord toedoen is vertaald vanuit de vorm תֹסִפוּ‎ (tosifu), uit de wortel יָסַף‎ (yasaf) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: toevoegen, vermeerderen, erbij doen, voortgaan met. Het woord afdoen is vertaald vanuit de vorm תִגְרְעוּ‎ (tigre'u), uit de wortel גָּרַע‎ (gara) en kan ook wel vertaald worden als verminderen, wegnemen, afscheren, inkorten. Beide werkwoorden staan in dezelfde vorm en in hetzelfde vers, waardoor de tekst zelf laat zien dat het om één en dezelfde overtreding gaat, in twee richtingen. 

Het woord bewaart is vertaald vanuit de vorm לִשְׁמֹר‎ (lishmor), uit de wortel שָׁמַר‎ (shamar) en laat zich ook graag vertalen als bewaken, behoeden, hoeden, in acht nemen. Dat is het woord van de wachter en van de herder. Wie iets bewaart in Hebreeuwse zin, houdt het ongeschonden en niet slechts in gedachten. 

Er zit een opmerkelijke verhouding tussen dat bewaren en het verbod dat eraan voorafgaat. Er staat niet dat men niets mag toevoegen omdat de Eeuwige geen aanvullingen duldt. Er staat dat men niets mag toevoegen opdát men de geboden bewaart. Toevoegen is dus geen extra ijver, het is de manier waarop het gebod verloren gaat. 

De Griekse grondtekst 

Markus 7:8-9 

8 Want, nalatende (ἀφέντες‎, aphentes) het gebod (ἐντολὴν‎, entolēn) Gods, houdt gij (κρατεῖτε‎, krateite) de inzettingen (παράδοσιν‎, paradosin) der mensen; 9 Gij doet zeker Gods gebod wel te niet (ἀθετεῖτε‎, atheteite), opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden. 

Het woord nalatende is vertaald vanuit de vorm ἀφέντες‎ (aphentes), uit ἀφίημι‎ (aphiēmi) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: loslaten, laten liggen, achterlaten, prijsgeven. Het woord houdt gij is vertaald vanuit de vorm κρατεῖτε‎ (krateite), uit κρατέω‎ (krateō) en laat zich ook graag vertalen als grijpen, vastklemmen, met kracht vasthouden. De tegenstelling is daarmee scherp. Wat van de Eeuwige komt glipt uit de handen, wat van mensen komt wordt met beide handen omklemd. 

Het woord inzettingen is vertaald vanuit παράδοσιν‎ (paradosin), uit παράδοσις‎ (paradosis) en kan ook wel vertaald worden als overlevering, dat wat wordt doorgegeven, traditie. En het werkwoord te niet doen is vertaald vanuit de vorm ἀθετεῖτε‎ (atheteite), uit ἀθετέω‎ (atheteō) en draagt de volgende betekenissen met zich mee: ongeldig verklaren, opzij zetten, terzijde stellen, verwerpen. Het is een woord uit de rechtstaal, gebruikt voor het buiten werking stellen van een bepaling. 

Daarmee zegt Yeshua niet dat Zijn hoorders de geboden openlijk verwerpen. Hij zegt dat zij ze buiten werking stellen door er iets omheen te bouwen. Dat is precies wat Deuteronomium 4:2 verbood en het gebeurt met de beste bedoelingen. 

De Septuaginta 

Het Schriftgedeelte dat aan deze studie ten grondslag ligt, verhoudt zich anders tot het Nieuwe Testament dan het cruciale citaat uit het boek Jesaja. Waar Jesaja 29:13 woordelijk wordt aangehaald, wordt Deuteronomium 4:2 niet geciteerd maar toegepast. 

Deuteronomium 4:1-2 

1 Nu dan, Israël! hoor (ἄκουε‎, akoue) naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de Eeuwige, uwer vaderen God, u geeft. 2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen (οὐ προσθήσετε‎, ou prosthēsete), ook daarvan niet afdoen (οὐκ ἀφελεῖτε‎, ouk apheleite); opdat gij bewaart de geboden van de Eeuwige, uw God, die ik u gebiede. 

De Septuaginta heeft hier οὐ προσθήσετε‎ (ou prosthēsete), gij zult niet toevoegen, en οὐκ ἀφελεῖτε‎ (ouk apheleite), gij zult niet wegnemen. Markus 7 gebruikt geen van beide werkwoorden. Daar staat ἀφέντες‎ (aphentes), loslaten, κρατεῖτε‎ (krateite), vastklemmen en ἀθετεῖτε‎ (atheteite), buiten werking stellen. 

Dat is dus geen citaat en ook geen zinspeling. Het is iets anders en die vaststelling is zelf het argument. Yeshua hoefde het verbod niet aan te halen, want Hij beschrijft wat er gebeurt zodra men het overtreedt. Deuteronomium 4:2 zegt wat men niet mag doen, Markus 7 laat zien hoe het eruitziet wanneer men het toch doet. 

Markus 7:6-7 citeert Jesaja 29:13. De aanhaling volgt de Griekse tekst van de Septuaginta en niet de Hebreeuwse bewoording en dat is aan de gedeelde woorden zichtbaar. 

Jesaja 29:13 

Dit volk nadert tot Mij met zijn mond (στόματι‎, stomati), en zij eren (τιμῶσίν‎, timōsin) Mij met hun lippen (χείλεσιν‎, cheilesin), doch hun hart (καρδία‎, kardia) doen zij verre van Mij; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, zijn geboden van mensen (ἐντάλματα ἀνθρώπων‎, entalmata anthrōpōn), die hun geleerd zijn (διδάσκοντες‎, didaskontes). 

Markus 7:6-7 

Dit volk eert (τιμᾷ‎, tima) Mij met de lippen (χείλεσιν‎, cheilesin), maar hun hart (καρδία‎, kardia) houdt zich verre van Mij. 7 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende (διδάσκοντες‎, didaskontes) leringen, die geboden zijn der mensen (ἐντάλματα ἀνθρώπων‎, entalmata anthrōpōn). 

De woorden χείλεσιν‎ (cheilesin), καρδία‎ (kardia), διδάσκοντες‎ (didaskontes) en de uitdrukking ἐντάλματα ἀνθρώπων‎ (entalmata anthrōpōn) staan aan beide zijden, evenals het werkwoord τιμάω‎ (timaō) in verbogen vorm. Dat is een citaat en geen zinspeling. Op één punt wijkt de aanhaling af, want het woord στόματι‎ (stomati), met de mond, staat wel in de Septuaginta maar niet bij Markus. Yeshua laat het weg en houdt daarmee de lippen over, wat de nadruk verlegt van het naderen naar het eren. 

Van belang is welke uitdrukking Hij daarmee binnenhaalt. ἐντάλματα ἀνθρώπων‎ (entalmata anthrōpōn), geboden van mensen, staat in de Septuaginta rechtstreeks tegenover wat de Eeuwige gebood. Hij hoefde die tegenstelling dus niet zelf te bedenken. Zij lag al ruim zeven eeuwen in de Schriften van Zijn hoorders, en Hij legt haar terug op de tafel waaraan zij zaten. 

Tot slot 

Dat maakt de vraag waarmee deze studie begon een stuk overzichtelijker. Hoe houdt men zich aan Zijn geboden? Door ze te bewaren zoals een wachter bewaart. Niets erbij, niets eraf. 

Is dat dan een zware last? 

Nee. 

Deuteronomium 30:11 zegt uitdrukkelijk dat dit gebod niet te zwaar is en niet ver weg ligt. Zwaar wordt het pas door wat mensen er later aan hebben toegevoegd. Dat drukt op de schouders zonder ooit iets te dragen, en wie eronder bezwijkt denkt dat hij faalt terwijl hij enkel iets tilt wat nooit van hem was gevraagd. 

Het volk trok weg uit Egypte, maar Egypte trok nog lang met hen mee. Zij droegen gewoonten mee die zij niet meer als vreemd herkenden en juist daarom moest Moshe vastleggen wat er niet bij mocht. Wie vandaag ontdekt dat hij jarenlang iets heeft nageleefd dat nergens geschreven staat, treft geen verwijt. Hij heeft gekregen wat hem is aangereikt en hij heeft het in goed vertrouwen gedragen. 

Maar dragen is niet hetzelfde als bewaren en loslaten is niet hetzelfde als verliezen. Wie het aangebouwde afbreekt, ziet daaronder het fundament terug dat er altijd al lag. 

De woorden werden gescherpt aan de tafel, gebonden aan de hand, geschreven op de post van de deur. Zo eenvoudig heeft de Eeuwige het bedoeld en zo eenvoudig is het gebleven. Sinds Moshe de Eeuwige ontmoette op de Sinaï, is er aan die woorden geen letter bijgekomen en er is geen letter afgegaan, want dat was nu juist verboden. 

Wat wel is gegroeid, is alles wat men eromheen heeft gebouwd. Die aanbouw is inmiddels zwaarder dan het huis en wie bezwijkt, bezwijkt onder de aanbouw. 

Breek die af. 

Wat overblijft, is licht genoeg om te dragen en sterk genoeg om op te staan.